De flamingantische invloed van het Algemeen Nederlands Zangverbond op de kleinkunstsector in Vlaanderen in de jaren zeventig

Onderwijsinstelling: KU Leuven
Studierichting: Geschiedenis
Promotor: Prof. Dr. Johan Tollebeek
Student: Niels Boutsen

Deze studie onderzoekt de flamingantische invloed die het Algemeen Nederlands Zangverbond uitoefende op de kleinkunstsector in het Vlaanderen van de jaren zeventig. Het ontstaan van de kleinkunst kent eenzelfde tijdslijn als de politieke emancipatie van de Volksunie. Voor beide bewegingen was taal een essentieel element in het discours. Omwille van hun gemeenschappelijke tijdslijn en taalgericht streven waren de kleinkunst en de Vlaamse Beweging op elkaar aangewezen. Toen het ontluikende genre de aansluiting miste met een in de jaren zeventig startende, internationale culturele sector, bouwde het zelf een infrastructureel circuit uit. Dat circuit werd gedragen door drie pijlers: studentenverenigingen, cultuDeze studie onderzoekt de flamingantische invloed die het Algemeen Nederlands Zangverbond uitoefende op de kleinkunstsector in het Vlaanderen van de jaren zeventig. Het ontstaan van de kleinkunst kent eenzelfde tijdslijn als de politieke emancipatie van de Volksunie. Voor beide bewegingen was taal een essentieel element in het discours. Omwille van hun gemeenschappelijke tijdslijn en taalgericht streven waren de kleinkunst en de Vlaamse Beweging op elkaar aangewezen. Toen het ontluikende genre de aansluiting miste met een in de jaren zeventig startende, internationale culturele sector, bouwde het zelf een infrastructureel circuit uit. Dat circuit werd gedragen door drie pijlers: studentenverenigingen, cultuurfondsen en een aantal particuliere organisaties die enerzijds uit liefde voor muziek en anderzijds uit economisch winstbejag kleinkunstavonden organiseerden. De derde pijler werd uit de markt gespeeld toen de groeiende kleinkunstsector uitsteeg boven de beschikbare budgetten. Kazuno, het grootste particuliere festival, hield aanvankelijk het hoofd boven water omdat het een kleinkunstavond organiseerde in het Antwerps Sportpaleis en genoeg zitjes kon verkopen om de kosten te dragen. Kazuno groeide uit tot de rode draad van de Vlaamse culturele sector. Wie op Kazuno speelde, verzekerde zich van een volle agenda bij de overige infrastructurele spelers. Door een financieel misverstand strandde de organisatie achter Kazuno in 1970. Het Algemeen Nederlands Zangverbond doopte Kazuno om tot Nekka en zette het festival verder. Het ANZ organiseerde sinds het begin van de twintigste eeuw het Vlaams-Nationaal Zangfeest, een muzikaal evenement dat pleitte voor een onafhankelijk Vlaanderen en samen met de 11 juli-vieringen en de IJzerbedevaart de electorale ruggengraat van de Volksunie vormde. Met de overname van Kazuno belandde ook de grootste apolitieke kleinkunstmanifestatie in de invloedsfeer van de Vlaamse Beweging. In de jaren zeventig zou het ANZ heer en meester worden in de kleinkunstniche. Het had met Nekka het grootste festival in handen, organiseerde daarnaast nog een aantal andere podia, nam in 1971 het enige overgebleven vaktijdschrift voor Nederlandstalige muziek over en bouwde een officieel kleinkunstarchief uit. Vanuit dat perspectief onderzoekt deze studie de edities van Kazuno en Nekka tussen 1969 en 1978 en hoe ver de invloed van het ANZ reikte op de kleinkunstwereld. Verslagen van de raden van bestuur van het ANZ, programmaboekjes van het zangfeest en Nekka, de jaargangen van de kleinkunstvaktijdschriften, de verschenen persberichten en informele gesprekken met mensen uit de sector vormden het bronnenmateriaal van deze studie. In het midden van de jaren zeventig brak de internationale culturele wereld helemaal open. Het u vraagt, wij draaien principe bepaalde de culturele wereld: als er publiek op af kwam, werden artiesten geboekt. Dat zorgde ervoor dat kleinkunstartiesten ook in een ander circuit dan dat van Nekka terecht konden en de greep van het ANZ op de kleinkunstsector verminderde. Om de flamingantische invloed van het ANZ op de sector te onderzoeken werden de tien festivals tussen 1969 en 1978 verdeeld over vier thematische hoofdstukken: taal, pioniers, particulieren en mainstream. Cultuurfondsen en een aantal particuliere organisaties die enerzijds uit liefde voor muziek en anderzijds uit economisch winstbejag kleinkunstavonden organiseerden. De derde pijler werd uit de markt gespeeld toen de groeiende kleinkunstsector uitsteeg boven de beschikbare budgetten. Kazuno, het grootste particuliere festival, hield aanvankelijk het hoofd boven water omdat het een kleinkunstavond organiseerde in het Antwerps Sportpaleis en genoeg zitjes kon verkopen om de kosten te dragen. Kazuno groeide uit tot de rode draad van de Vlaamse culturele sector. Wie op Kazuno speelde, verzekerde zich van een volle agenda bij de overige infrastructurele spelers. Door een financieel misverstand strandde de organisatie achter Kazuno in 1970. Het Algemeen Nederlands Zangverbond doopte Kazuno om tot Nekka en zette het festival verder. Het ANZ organiseerde sinds het begin van de twintigste eeuw het Vlaams-Nationaal Zangfeest, een muzikaal evenement dat pleitte voor een onafhankelijk Vlaanderen en samen met de 11 juli-vieringen en de IJzerbedevaart de electorale ruggengraat van de Volksunie vormde. Met de overname van Kazuno belandde ook de grootste apolitieke kleinkunstmanifestatie in de invloedsfeer van de Vlaamse Beweging. In de jaren zeventig zou het ANZ heer en meester worden in de kleinkunstniche. Het had met Nekka het grootste festival in handen, organiseerde daarnaast nog een aantal andere podia, nam in 1971 het enige overgebleven vaktijdschrift voor Nederlandstalige muziek over en bouwde een officieel kleinkunstarchief uit. Vanuit dat perspectief onderzoekt deze studie de edities van Kazuno en Nekka tussen 1969 en 1978 en hoe ver de invloed van het ANZ reikte op de kleinkunstwereld. Verslagen van de raden van bestuur van het ANZ, programmaboekjes van het zangfeest en Nekka, de jaargangen van de kleinkunstvaktijdschriften, de verschenen persberichten en informele gesprekken met mensen uit de sector vormden het bronnenmateriaal van deze studie. In het midden van de jaren zeventig brak de internationale culturele wereld helemaal open. Het u vraagt, wij draaien principe bepaalde de culturele wereld: als er publiek op af kwam, werden artiesten geboekt. Dat zorgde ervoor dat kleinkunstartiesten ook in een ander circuit dan dat van Nekka terecht konden en de greep van het ANZ op de kleinkunstsector verminderde. Om de flamingantische invloed van het ANZ op de sector te onderzoeken werden de tien festivals tussen 1969 en 1978 verdeeld over vier thematische hoofdstukken: taal, pioniers, particulieren en mainstream.

Niels Boutsen

De flamingantische invloed van het Algemeen Nederlands Zangverbond op de kleinkunstsector in Vlaanderen in de jaren zeventig. Een analyse van festivals Kazuno (1969-1970) en Nekka (1971-1978).