Steven De Bruyne

Multi-instrumentalist op de mondharminca

Dit jaar ging één van de ZAMU-Awards naar Steven De Bruyne, vooral bekend als de harmonicaspeler van El Fish, een bluesformatie die de zompige klanken van de Schelde en Leie-delta omzette tot een eigen geluid. Minder bekend is dat de man een jaar lang de podia deelde met de Boomse blueslegende Roland en verder ook de muzikale inkleding van een aantal theaterprojecten van verzorgde. Vandaag maakt hij furore met The Rhythm Junks, wat hij zelf als ‘dolle kamelenblues’ bestempelt. Reden genoeg voor ons om met gepoetste tanden bij hem te rade te gaan over de edele kunst der mondschuiverij.

‘Steven, El Fish is ook buiten de bluescirkels bekend om zijn muzikale eigenzinnigheid. Wat deed je voordien?’
Steven De Bruyne: “Ik speelde in enkele kleinere groepen: eerst bij The Killen Harp Band met de Ier John Killen, daarna bij The Change Collectors met Geert Waegeman. We brachten toen akoestische blues.”

Hoe is El Fish dan ontstaan?
Steven De Bruyne: “Ons vertrekpunt was de kracht van de blues. We wilden het genre wat nieuw leven inblazen, ritmes veranderen en zo. Ik leerde rond 1995 Jan Ieven kennen, onze basssist. Zo is El Fish begonnen. We hadden een vaste plek waar we om de twee weken konden optreden: De Blauwe Kater in Leuven. En op een bepaald moment mochten we een showcase spelen op de ZAMU-Awards. Toen men me vroeg hoe ze ons moesten aankondigen zei ik: ‘Een jonge wolvengroep die zot is van blues, maar zonder platencontract’. Ik wist dat er veel platenbonzen aanwezig waren. En ja hoor, na ons setje van een half uur stond Hans Kusters te zwaaien met een contract.”

EL Fish heeft 4 LP’s op zijn actief. Zie je daarin een muzikale evolutie?
Steven De Bruyne: “Zeker. Onze eerste ‘Blue Coffee’ was nog heel schools, veel jump-blues invloeden. We moesten het toen nog allemaal leren (lacht). De doorbraak is er gekomen met ‘Rewinder’, geproducet door Jean-Marie Aerts. Plots hadden we airplay en stonden we als bluesgroep op Pukkelpop, ook niet evident.”

In hoeverre was de invloed van Jean-Marie Aerts belangrijk? Ging de muziek meer in de richting van TC-Matic?
Steven De Bruyne: “Nee, niet echt. Jean-Marie heeft wel op een aantal nummers meegespeeld. Het was meer een funky plaat. Muzikaal luisterden we meer naar Los Lobos, The Latin Playboys en Little Axe, een groep rond Adrian Sherwood die blues mixt met dub.”

“Na Rewinder volgde de live-plaat ‘Hooked’, maar dat is meer een verzameling van live-opnames op cassette of minidisc.”

In 2000 volgde ‘Wisteria’. Een van jullie ‘moeilijkere’ platen’.
Steven De Bruyne: “Klopt. Privé was er van alles gebeurd, zowel mijn moeder als een goede vriend waren overleden in een ongeval. ‘Wisteria’ gaat onder andere daarover, een rouwplaat maar toch meer dan dat. Muzikaal wilden we ons vooral van onze pop-rock kant laten zien.”

Is het niet moeilijk om pop te laten rijmen met die thematiek?
Steven De Bruyne: “Het was vooral de bedoeling om los te komen van de bluesschema’s. Je voelt het vooral aan de akkoorden, veel mineurs, heel zwaar. Het is een ‘vragende’ plaat, een CD die veel vragen stelt. Sommigen zijn daarop afgehaakt.”

“Onlangs las ik een bespreking in Rif Raf over de CD van Durango (met leden van het vroegere Mambo Chillun). De journalist verwees naar ‘Wisteria’. Ik was blij dat zo iemand zijn geschiedenis kent (lacht).”

“Na ‘Wisteria’ hebben we samen met Geert Waegeman meegewerkt aan de muzikale begeleiding van een theaterproject ‘A12’. Daarna is El Fish nog een jaartje gaan toeren met Roland, wat de CD ‘Waterbottle’ opleverde.”

Hoe voelt het om met zo’n legende te spelen?
Steven De Bruyne: “Dat valt allemaal wel mee. Veel van de verhalen rond Roland zijn trouwens overroepen. Nee, voor ons is het een leerrijk jaar geweest. Daarna hebben we besloten El Fish even op een sabbatical te zetten en ons een tijdje te gaan herbronnen. Zo hebben we in 2002 nog eens samengewerkt met Roland, in het kader van Brick Blues. Ditmaal met Dirk Roofthooft erbij. ‘Brick Blues’ was een bundeling van verhalen, teksten en gedichten die Dirk voorlas. Wij zorgden voor de instrumentale ondersteuning van de stem.”

Nu speel je bij the Rythm Junks. Vertel eens?
Steven De Bruyne: “Onze laatste CD heette ‘Virus B23’, genoemd naar een verhaal van William Burroughs over een virus dat heel de wereld ging besmetten en waarvoor enkel junks immuun waren. Het idee was dat de muziek die we maken even besmettelijk zou zijn. Vandaar The Rythm Junks. Ik ben altijd wel gek geweest van de parler van de beatniks.”

En de benaming ‘dolle kamelen-blues’?
Steven De Bruyne: “Door de Arabische invloeden. Het gaat ons als groep vooral om muziek waarbinnen alles kan, zolang de muzikale kick er maar is. Als we nu optreden, lopen we daarna altijd drie dagen goed gezind rond en daar gaat het ons om. De arrangementen zijn ook eigenzinnig. De blazers spelen het orgel; de harmonica doet zowel de lead als de ritmepartij. Geen gitaren, wat maakt dat ik heel open harmonica kan spelen.”

De harmonica

Waarom ben je in vredesnaam begonnen met harmonica?
Steven De Bruyne: “Ja, je moet een beetje gek zijn, hé Jan. (vette knipoog) Nee, het is een aartsmoeilijk instrument, en soms vervloek ik het. Maar ik hou nu eenmaal van de klank. Het is eigenlijk begonnen toen ik nog studeerde en op café iemand, heel slecht trouwens, harmonica hoorde spelen. Die klank is in mijn oren blijven hangen. Ik ging toen studeren in Engeland  en was er binnen de kortste keren de harmonicaspeler van het bluesgroepje uit de kroeg om de hoek.’

“Het probleem is dat een harmonica het bluesinstrument bij uitstek is, omwille van die snijdende klank. En blues zal altijd mijn leerschool blijven. Het is mijn missie om er iets meer mee te doen en het genre open te breken. Je kan het eigenlijk vergelijken met wat Geoffrey Burton of Marc Ribot op gitaar doen.”

Over de harmonica zelf, nu. Er zijn blijkbaar verschillende soorten?
Steven De Bruyne: “Je hebt de diatonische harmonica’s. Die zijn te vergelijken met de witte toetsen op de piano. Er bestaan diatonische harmonica’s in verschillende toonaarden. De meest bekende zijn de bluesharps. Daarnaast heb je de chromatische harmonica’s, denk maar aan Toots Thielemans. Om het te vergelijken met de piano: de witte én de zwarte toetsen. Op chromatische harmonica’s kan je alle toonaarden spelen. Het verschil zit vooral in de sound. Diatonische harmonica’s klinken ruwer dan chromatische omdat je op chromatische je noten niet zo hard kunt benden. Er zijn ook chromatische harmonica’s met een slide, waarmee je de noot een halve toon kunt verhogen. Alsof je op je gitaar je vinger op een volgende fret zet.”

Waar kan je harmonica leren spelen? Zijn er scholen voor?
Steven De Bruyne: ‘Nee, er zijn wel een paar muzikanten die privé-les geven. Maar het is nog steeds geen erkend instrument binnen het officieel onderwijs. Jammer, eigenlijk.’

Waar moeten beginnende harmonicaspelers op letten? Bijvoorbeeld, hoe weten ze of ze beter af zijn met een diatonische of met een chromatische harmonica?
Steven De Bruyne: “Eerst moet je uitmaken wat je graag hoort. Is dat Stevie Wonder of Toots, dan ga je best voor een chromatische harmonica. Ik raad dan aan om te gaan voor een fatsoenlijk model en niet meteen het allergoedkoopste. Wil je blues of rock’n’roll spelen, ga dan voor de diatonische. En koop er dan ineens een paar. Eéntje in C om de noten te weten liggen, als referentie en eentje in A bijvoorbeeld omdat heel wat blues in A is gemaakt.”

En qua onderhoud?
Steven De Bruyne: “Eigenlijk valt dat wel mee. Je moet zorgen dat je een propere bek hebt, dus geen twintig olijven en een handvol nootjes kauwen voor je begint te spelen. En het goed droog houden, niet te veel zeveren, dus.”

Door wie ben je zelf beïnvloed?
Steven De Bruyne: “Qua harmonica vooral Sonny Boy Williamson II, the Ricemiller. Een crook eigenlijk (lacht). Toen de echte Sonny Boy overleed, heeft Ricemiller diens naam overgenomen en zichzelf ‘de Tweede’ genoemd om meer werk te hebben (lacht). En Little Walter, natuurlijk. De pionier van de elektrische harmonica.”

Maar ik luister vooral veel naar andere instrumentalisten. Rashan Roland Kirk, een jazz-saxofonist of Jimmy Smith, een organist. Qua aanpak wil ik hun sound benaderen, maar dan op harmonica.’

Een multi-instrumentalist met één instrument dus.
Steven De Bruyne: “Eigenlijk wel, ja. Al sleep ik ook wel een handvol effecten mee. Ik heb twee delays, een shifter, een loop, waarmee je jezelf kunt opnemen in verschillende lagen, een autowah en een fuzz. Het heeft lang geduurd eer ik de juiste fuzz vond. Ik ben op internet gaan zoeken hoe die verschillende fuzz-boxen klonken en heb uiteindelijk een Graphic Fuzz van Electro Harmonix besteld.”

“Er is een duidelijk verschil met effecten die je voor gitaren gebruikt. Gitaareffecten waar je geen inputvolume kunt mee regelen klinken op harmonica verschrikkelijk, omdat een harmonica sowieso meer feedback geeft. Je kunt er dus niks mee aanvangen.”

“In het begin had ik moeite met het afstellen van de effecten, vooral met de fuzz. De andere effecten mochten dan mooi zijn afgesteld, trapte ik mijn fuzz-bak in, dan zag ik de mensen naar hun oren grijpen (lacht). Daar heb ik nu een oplossing voor gevonden. Ik heb op mijn versterker een clean- en een bright-ingang. Ik zet dus mijn effecten in lijn, behalve de fuzz, met de delay als laatste. Die gaan naar de clean-ingang. Vandaar uit een jack naar de fuzz en terug naar bright en zo naar buiten. Ik heb ook twee volumes: normal en bright. Zet ik mijn normal op acht en de bright dicht heb ik geen fuzz, enkel cleane klank. Zet ik de clean dicht en de bright open, heb ik enkel fuzz. Zet ik ze allebei open, dan kan ik zoveel fuzz geven als ik wil. Mijn eigen mengtafeltje, dus (lacht).”

Die microfoons vind ik ook wel fijn. Net oude scheerapparaten.
Steven De Bruyn: “Oh ja, die bolusmodellen. Die geven maar een beperkt spectrum van de klank van de harmonica weer en gaan direct vervormen. Je kan ze enkel gebruiken met lampenversterkers. Ze geven dan een vette sound. Ik gebruik zo ook om te zingen.”

Ik geloof u best. Merci voor de babbel.