RockfotografieKoen-Bauters-43Head

Rockfotografie

Méér dan coole plaatjes schieten

Je ziet ze tijdens festivals en concerten steevast op een hoopje staan, zich in allerlei bochten wringend om de beste plek voor het beste beeld in te nemen: rockfotografen. Amper drie nummers langs – en soms minder – krijgen ze de tijd om dat ene beeld te maken dat de kranten haalt; dat ene beeld, waarin alles vervat zit: de passie van de muzikant, de sfeer op het podium, de broeierigheid van de dag … Poppunt sprak met drie fotografen, profs in hun métier: Alex Vanhee, Eva Vermandel en onze eigenste huisfotograaf, Koen Bauters. Op onze opening – “tegenwoordig kan iedereen wel fotograaf worden” (waarmee we de heren en dame meteen schaakmat wilden zetten) – kwam een meewarig geschud en een vastberaden, licht gezucht. “Neen, neen, neen … Veel jonge of aspirant-rockfotografen weten totaal niet waar de klepel hangt. Rockfotografie of fotografie tout court is méér dan wat plaatjes schieten.”

Koen Bauters

picture
Koen Bauters

Onze huisfotograaf, al sinds het prille Poppunt. Koen Bauters herinnert zich nog dat hij – toen Poppunt nog Poppunt Vlaanderen heette en gekazerneerd zat in het achterafzaaltje van café Den Olifant in Sint-Niklaas – nog meegeholpen heeft met het inpakken van de eerste Jong Gewelds (zo heette Poppunt Magazine vroeger). Zijn kennismaking met Poppunt gaf hem alvast een klein opstapje naar wat nu zijn beroep is: (rock/pop)fotograaf. “Ik vind die term toch een beetje ongelukkig gekozen”, zegt hij. “Het gaat me niet meteen om het portretteren van rock- en popsterren, maar van mensen. Ik hou ervan om iemand die ik voor mijn lens krijg zodanig te portretteren dat je iets extra’s krijgt, een blik, een detail dat opvalt … Het maakt in principe niet uit of het om een politieker gaat, een sportman of een internationale popster.”

De la photographie avant toute chose, dus. Kan je toch even je parcours schetsen, vooral dan wat het luik rock- en popfotografie betreft.
Koen: “Eigenlijk heeft ‘Star Trek’ van Anton Corbijn mijn ogen wat geopend: ik studeerde toen nog, maar was snel uitgekeken op de saaie opdrachten die ik kreeg. Het boek van Corbijn – waarin veel onscherpe foto’s stonden – heeft me wakker geschud: ‘Hé, zo kan het dus ook. En het mág!’ Toen heb ik dat schoolse systeem achter me gelaten en radicaal mijn eigen koers gekozen. Ik las ergens dat een ‘steunpunt voor jonge muzikanten’ – een embryonaal Poppunt – een fotograaf zocht; ik ben me meteen gaan aanmelden. Ik was toen al artiesten aan het zoeken, jonge bands die helemaal nog niet bekend waren, maar wel wat in hun mars hadden. Ik wou ze fotograferen en eventueel met hen meegroeien, want als beginnend fotograaf kon ik niet zomaar bij dEUS gaan aankloppen met de vraag of ik meemocht op al hun concerten. Ik vond dat zelf ook niet kunnen. Na verloop van tijd leerde ik wat bands kennen, zoals Hooverphonic, Zornik … en ben ik met die bands de hort op gegaan.”

Het is een verhaal dat je vaak hoort: klein beginnen en langzaam groeien. Nu moet het snel-snel gaan, me dunkt.
Koen: “Het is een beetje dubbel, ja. Alles is digitaal, materiaal kost minder en er zijn talloze fora waar je je beelden kan posten. Een paar jaar geleden bestonden die fora niet: je kon enkel via de grotere kranten en een paar magazines op festivals binnengeraken. Als snotventje geraakte ik daar gewoonweg niet. Ik heb het métier geleerd in kleinere concertzalen waar de omstandigheden minder goed waren; een voordeel, eigenlijk, omdat ik zo moest leren werken met wat ik aangereikt kreeg: kleine zaal, geen goeie lichtshow, te weinig plaats. Nu merk ik wel dat – als er gefotografeerd moet worden bij moeilijker licht bijvoorbeeld – het kaf van het koren sneller gescheiden wordt en dat ervaring dan een groot verschil maakt.”

Waarom ben jij eigenlijk fotograaf geworden?
Koen: “Een mix van interesse in beeld en muziek, dat heeft me getriggered. Wat bij mij de doorslag gegeven heeft, was de videoclipcultuur op MTV, toen er nog echte clips gemaakt werden en niet alles draaide rond seks en blote tetten. Ik ben altijd bezig geweest – uit een soort van frustratie ook, omdat het niet meteen lukte – met een manier om de kleuren die ik op tv zag te vertalen naar een foto. Ik wou diezelfde sfeer benaderen, met intense kleuren werken, mijn foto’s laten leven …”

Ondertussen is dat wel je handelsmerk geworden: je foto’s dragen duidelijk je stempel, ongeacht het onderwerp. Donkere, felle kleuren, hoog gesatureerd, beetje overstuurd …
Koen: “Ja, maar het is niet zo dat ik het op een dag plots gevonden had. Vroeger, toen ik in een donkere kamer ontwikkelde, zocht ik naar manieren om iets anders te doen; kalkpapier over fotopapier leggen, andere filmpjes uitproberen, onderbelichten om de curves te oversturen … en gaandeweg heb ik mijn beeldtaal gevonden.”

“In Photoshop kan je alles achteraf wel wat bijtrekken, maar dat heeft weinig met fotografie te maken, me dunkt.”

De donkere kamer! Daaruit blijkt dat fotografie een heel artisanaal gegeven is, in tegenstelling tot wat je nu ziet: de digitalisering van het medium heeft de ambacht er volledig uitgehaald …
Koen: “Ik vind het moeilijk om daar een uitspraak over te doen, maar ik denk wel dat ik kritischer ben in mijn beeldkeuze dan veel jonge fotografen. Je kan nu een paar honderd foto’s nemen en er achteraf vlug doorgaan, terwijl ik een ander werkprocédé gewend ben. Ik moest vóór ik een foto nam al weten wat ik wilde fotograferen – filmrolletjes, daar zitten maximum 36 foto’s op, hé. Bij digitale fotografie kan je alles achteraf in Photoshop wel wat bijtrekken, maar dat heeft weinig met fotografie te maken, me dunkt. Ik werk ook met Photoshop, ja, maar dat gebruik ik louter om de technische regels wat te buigen en mijn beelden wat bij te werken. Maar de foto moet vooraf al goed zijn, uiteraard.”

Voor Poppunt maak je vooral portretten …
Koen: “Moeilijk aan portretten is dat ik de persoonlijkheid van de artiest wil meegeven, maar er nog iets extra aan wil toevoegen. De meeste muzikanten weten na verloop van tijd wel hoe ze zich moeten positioneren, maar ik doorbreek dat graag, zodat ik meer dan een standaardbeeld krijg. Je ziet vaak weer dezelfde variatie op hetzelfde thema, in verschillende media, terwijl ik liever wat out of the box denk. Omdat ik me dan wat kan onderscheiden van diegene die na mij komt.”

Je werk is ook erg verscheiden: dat gaat van supercommerciële artiesten als Regi en Belle Perez tot David Dewaele van Soulwax of Moby …
Koen: “Ik heb nooit de keuze gemaakt tussen alternatief of populair: als een artiest achter zijn muziek staat en hij of zij gelooft erin, dan maakt het me niet uit wie het is. Regi of Tom Barman, dat maakt niet uit. Het probleem waar ik soms mee geconfronteerd word, is dat mijn foto’s de diva’s van deze wereld of de grootste extraverte rocker niet altijd super flatterend in beeld brengen … en dat artiesten onzeker zijn, omdat ze vooraf moeilijk kunnen inschatten wat het gaat worden. Het gaat om vertrouwen, hé, en als er één ding is wat ik belangrijk vind, is het het vertrouwen winnen van de mensen met wie ik werk. Vandaar dat ik ik veel praat; het stelt me in staat om de aandacht van de camera weg te leiden, want die werkt voor veel artiesten nogal intimiderend. Zelfs als ik weinig tijd heb, neem ik meer tijd om te babbelen dan om foto’s te nemen. Ik krijg meer gedaan op korte tijd als mijn gast vooraf wat op zijn gemak gesteld is. En dat maakt het echt niet uit of het een internationale ster is of niet. Eerst een kopje thee, en dan een foto. (lacht) Snel-snel is nooit een goeie keuze. Weet je, per definitie moet je van iedereen een goed portret kunnen maken: rocker, slager, gespannen, niet gespannen …”

Is het moeilijk om van je job te leven?
Koen: “Ik krijg soms de vraag of het vroeger makkelijker was dan nu. Neen. Het is nooit makkelijk geweest. Er is maar een beperkt aantal fotografen die er echt van kunnen leven. En dat geldt niet enkel voor rockfotografie, maar evengoed voor Wetstraat-fotografen. Je hebt maar x-aantal media en daar moet je het dan mee doen. Misschien dat er nu wel meer jonge gasten in willen stappen; ik vind dat niet slecht, omdat meer concurrentie je scherp houdt en je gedwongen wordt om je best te doen. Maar of je er nu nog van kan leven? Dat weet ik niet. Als je er iets naast doet, is het toch iets makkelijker. Bij mij is dat ook zo gegroeid: in het begin deed ik niets anders dan rock- of popfotografie, en na verloop van tijd kwam er al eens een politicus voor mijn lens. Of een model. Maar mijn uitgangspunt is steeds: hoe krijg ik die mens het best op foto. Wat die mensen doen, is vaak een bijkomstigheid.”

Alex Vanhee

picture2
Alex Vanhee

Wanneer we Alex Vanhee (maakt onder meer concertbeelden voor de krant De Morgen) ontmoeten in een Gentse afspanning waar de kitsch van de muren druipt, haalt hij meteen een anekdote aan die de huidige ‘passie’ van veel jonge rock-en popfotografen illustreert. “Een tijdje geleden kreeg ik een mailtje van een jong meisje waarin ze vertelde dat ze met rockfotografie wou beginnen. Mooi, dacht ik, maar toen ik haar motivatie las – ‘om sterren te ontmoeten’ – viel ik bijna van mijn stoel. Ik heb haar vriendelijk geantwoord dat het zo echt niet werkt. Dat als je niet zielsveel van muziek én fotografie houdt je beter een ander beroep zoekt. Zelf heb ik eigenlijk nooit een ongelooflijke drang gehad om rockfotograaf te worden: toen ik jonger was, wilde ik schilderkunst doen of film. Mooie beelden maken, dat interesseerde me. Het is fotografie geworden, omdat ik voelde dat ik daarin mijn passie voor beeld én muziek perfect kon combineren. Maar rockfotograaf worden om sterren te fotograferen? Neen. Mensen, ja, dat wel. Mij maakt het in principe niet uit of ik een timmerman, een bakker of een rockster voor de lens krijg: ik hou van mensen, zolang ze iets moois maken en mij boeien …”

Dat is meteen een krachtige boodschap: doe het om de juiste reden.
Alex: “Ja. Nog iets dat je vaak hoort: ik kan als rockfotograaf gratis naar concerten. Dat is een tof extraatje, ja, niet meer! Ik kom ook terecht op concerten van artiesten die me echt weinig zeggen, maar ik sta daar voor de foto. En als ik een foto maak, dan wil ik dat die mens er goed op staat: ik vind dat je daar niet te licht over mag gaan. De mensen geven je de toestemming om een beeld te maken, dan is het jouw taak om het best mogelijk beeld te maken. Ik weet uit ervaring dat het heel makkelijk is om iemand slecht te portretteren.”

Me dunkt dat er wat jaren overheen gaan voor je een goed portret kan maken, of een goeie foto überhaupt. Wat de jonge fotografen wel voor hebben op jou en je collega’s is dat ze meer kunnen ‘oefenen’. Er zijn nog nooit zoveel concerten geweest …
Alex: “Dat is waar. Toen ik begon waren er maximum twee, drie concerten per week. Er was minder aandacht voor de pop- en rockcultuur. Nu meer, maar we blijven hier toch met een bijzondere situatie zitten: hier vind je geen pure muziekmagazines à la NME, The Wire, en consorten. De kranten vullen dat gat wel een beetje op. Ik heb fotografie vroeger ook moeten combineren met grafische vormgeving, gewoon omdat ik te weinig werk had. Eind jaren negentig heb ik dat grafisch werk opgezegd. Ik heb nu wel de indruk dat het weer wat aan het minderen is, wat ik heel vreemd vind: er is nog nooit zoveel naar muziek geluisterd als nu.”

Je haalt het even aan: grafische vormgeving. Ik leg meteen de link naar digitalisering. Ik vraag me af of al die jonge fotografen niets missen door enkel digitaal te fotograferen en hun beelden achteraf te Photoshoppen. Missen ze door een gebrek aan historiek, door het niet kennen van het ontwikkelingsprocédé, niet de kern van fotografie? Iedereen die een digitale camera heeft en wat met Photoshop overweg kan, kan zich fotograaf noemen …
Alex: “Absoluut. Fotograferen is kiezen: waar je staat, welke lens je gebruikt, wanneer je afdrukt én welke foto’s je gebruikt. Ik heb veel moeite met fotografen die voor festivals en websites werken en werkelijk alles fotograferen wat er op een podium gebeurt en dat dan intergraal op een website zwieren. Wat is daar de meerwaarde van? Je moet het overbodige weggooien en op zoek gaan naar de essentie, zoals in het leven zelf. Als ik vier goeie foto’s heb van één concert, dan heb ik heel goed gewerkt. Bij livefotografie moet je altijd in het achterhoofd houden dat de kijker geen muziek hoort als hij de foto ziet. Je moet in één foto een hele sfeer, een gevoel kunnen samenvatten, iets waar je niet altijd in slaagt. Zeker niet als beginnend fotograaf. Het gebeurt eigenlijk zelden dat je honderd procent tevreden bent van een live-beeld.”

De essentie, daar zeg je zoiets, maar je weet als beginnend fotograaf niet wat dat is. Anticiperen moet je leren en pas na verloop van tijd druk je af op het juiste moment …
Alex: “Gissen en missen tot je op een dag je eerste goede foto maakt. Wanneer dat gebeurt, daar kan je geen datum op kleven. Antciperen is echt belangrijk: ik heb ooit een voordracht gegeven over het feit dat fotografie weinig op toeval berust, maar alles te maken heeft met leren kijken en het ontleden van beelden. Het probleem bij jonge fotografen is dat ze vaak staan te ‘filmen’ met hun camera. Eerst kijken naar wat er gebeurt en je de vraag stellen hoe je dat kan vertalen naar een beeld, dat is belangrijk. Bij muziekfotografie is dat één van de moeilijkste dingen: je kan niets manipuleren, er bestaan geen trucjes, je kan niets doen aan de belichting. Je moet het doen met de omstandigheden zoals ze zijn, en die zijn vaak moeilijk werkbaar. Slecht licht, alles gaat snel, je hebt weinig tijd … Je moet daar echt in groeien.”

“Fotografie berust weinig op toeval, maar heeft alles te maken met leren kijken en het ontleden van beelden.”

Vaak zit het genie wel in het detail: op je website zag ik een foto van Chris Martin. Je drukte net af op het moment dat een druppel zweet van zijn voorhoofd op zijn pianotoetsen viel. Een toevalstreffer, maar wel fantastisch …
Alex: “Dat was toeval, ja, maar je probeert er wel naar te werken: je kadreert naar dat moment, je wacht af, kijkt naar wat gebeurt en soms vang je details …”

Kan je iemand leren kijken?
Alex: “Ja, maar dat gebeurt op school nog veel te weinig. Iedereen leert dat a-a-p leest als aap. Bij fotografie geldt net hetzelfde: je kan een foto leren lezen: wat is goed aan dit beeld, slecht aan een ander, hoe zit het met het licht, de kadrering … Iedereen kan dat leren al heeft de ene wat meer talent dan een ander. En wie leert lezen, leert ook herkennen wanneer een beeld goed is en wanneer niet, los van subjectiviteit en persoonlijke smaak.”

Er lopen nu enorm veel fotografen rond voor wie fotografie puur spielerei is. Ze willen er niet meteen van leven, maar verspreiden wel al hun beelden, vaak gratis of onder de prijs. Dat lijkt me niet zo leuk voor fotografen die al een paar generaties meedraaien …
Alex: “Dat is voor een stuk waar, maar je mag niet vergeten dat gevestigde fotografen zich dankzij hun jarenlange ervaring een stijl eigen gemaakt hebben. Anton Corbijn en Kevin Westenberg: zij maken herkenbare beelden. Alle lof voor het enthousiasme van aspirant-rockfotografen, maar de meesten hebben nog niet echt iets te tonen. Een goed fotograaf dwingt me om iets op een andere manier te zien. Dat geldt evengoed voor schrijvers, schilders, muzikanten … Laat de mensen de zaken eens vanuit een ander perspectief zien. Bij fotografie gebeurt dat nu veel te weinig, door een gebrek aan visie en onderbouw. ‘Het staat erop’, hoor je vaak, maar dat is lang niet genoeg! Er moet méér achter zitten.”

De vervlakking van de beelden en het overaanbod vormen een groot probleem, me dunkt. Redacties nemen abonnementen op fotoagentschappen met databases van duizenden stockbeelden. Het resultaat is dat je her en der dezelfde zielloze beelden ziet opduiken. Lily Allen in tijgertopje op Werchter … iedereen heeft dat beeld gezien.
Alex: “Ik mis de ziel vaak. Nu ja, als alle hoekjes eraf zijn, verkoopt het wel goed … ik kan er alvast niet tegen concurreren. Vroeger verkocht ik meer, nu moet ik mijn beelden zelf droppen bij agentschappen, of ik verkoop nauwelijks nog iets.”

Ondertussen staat een hele lichting nieuwe rockfotografen met hun neus aan het raam van de pop- en rockwereld. Het wordt steeds moeilijker om een plaatsje te veroveren. Heeft een oude rot wat tips voor die jonge wolven?
Alex: “Onderscheid je! Vroeger had je als fotograaf veel meer parameters om met je techniek een verschil te maken: hard afdrukken, zware korrel, kadrage, scherpte, veel contrast … dat was mijn handelsmerk. Ondertussen zijn die parameters weggevallen en zoekt iedereen zijn heil bij Photoshop. Velen overdrijven daariin, zodanig zelfs dat de realiteit verdwijnt. En het feit dat iedereen tegenwoordig met dezelfde toestellen fotografeert, levert ook maar eenheidsworst op. Belangrijk is dat je je eigen stijl zoekt, en niet zomaar een ‘fotooke’ gaat maken. Kijk om je heen, zie wat er gebeurt en tracht een beeldtaal te ontwikkelen waarmee je de dingen die je ziet, kan weergeven.”

Eva Vermandel

picture2
Eva Vermandel © Joss McKinley’s

Eva Vermandel. In België misschien niet zo’n bekende naam, internationaal alleszins wel. Begrijpelijk ook, want Eva woont al dertien jaar in Londen, waar ze een boeiend bestaan leidt als fotografe van onder meer rock- en popartiesten. Sigur Rós, Beth Gibbons (Portishead), PJ Harvey, Nick Cave … zaten allemaal al voor haar lens. Vermandel mag dan in haar portfolio talloze – heel knappe – beelden zitten hebben van rock- en popmuzikanten, de titel rockfotografe ziet ze liever niet als epitheton. “Dat wil ik eigenlijk niet zijn,” zegt ze. “Ik maak portretten van muzikanten, dat wel, maar geen livebeelden.”

Kan je even kort schetsen hoe een meisje uit Sint-Niklaas in Londen belandt en daar een mooie carrière kan uitbouwen als fotografe van gerenommeerde artiesten?
Eva: “Da’s heel organisch gelopen, eigenlijk. Niet dat het allemaal vanzelf is gegaan, want ik heb er hard voor gewerkt en doe dat nog steeds om mijn plek te handhaven. Ik ben eigenlijk als sinds mijn kindertijd gefascineerd door fotografie en schilderkunst. Meegekregen van thuis. Ik heb geen fotografie gestudeerd, maar grafische vormgeving, met fotografie als bijvak. Na mijn studies merkte ik dat ik met mijn fotografie in België niet kon doen wat ik wou. En aangezien ik nogal anglofiel ben, was de keuze om naar Londen te verhuizen snel gemaakt. Hier ben ik toen mijn portfolio – die uitsluitend bestond uit portretten van vrienden en kennissen – her en der gaan voorstellen. De reacties waren erg positief.”

Ondertussen zijn we jaren verder. Je huidige portfolio is behoorlijk indrukwekkend: PJ Harvey, Beth Gibbons, Nick Cave … Het is weinigen gegeven om de ‘groten der aarde’ voor hun lens te krijgen …
Eva: “Ja, maar dat zijn ook maar mensen, hoor. (lacht) Het grote voordeel dat ik gehad heb, is dat ik begonnen ben in de jaren negentig. Er waren toen ook meer magazines: niet enkel de meest bekende als Time Out, NME, The Wire, maar ook andere. Portishead, bijvoorbeeld, heb ik leren kennen via The Wire. Wat het voor mij iets makkelijker gemaakt heeft, is dat ik Photoshop heel goed onder de knie had op een moment dat nog niet veel fotografen met Photoshop werkten. Dat is mijn geluk geweest. Toen ik pas begon, liep ik bij Vox langs, een magazine dat nu niet meer bestaat. Zij publiceerden elke maand een gemanipuleerde foto. Mijn derde opdracht toen was een shoot met Ice-T en het bewerken van één van die foto’s. Dankzij die opdrachten heb ik op vrij korte tijd een stevige portfolio kunnen aanmaken. En vanaf toen was het kwestie van op het juiste moment op te vallen en de juiste mensen tegen het lijf te lopen. En zo ben ik die wereld binnengerold. Door de jaren heen zijn een aantal artiesten vrienden geworden, en heb ik mensen voor de lens gehad voor wie ik enorm veel respect heb, zoals PJ Harvey. Ik fotografeer haar vooral voor magazines, want voor haar artwork werkt ze altijd samen met Maria Mochnacz … Sigur Rós heb ik in 2000 gefotografeerd voor The Wire. Ik ken één van hun managers goed, John Best. Via hem en de fanwebsite is de vraag gekomen voor dat boek rond de band.”

Een prachtig boek, ook. Heb jij zelf als jonge fotografe ooit echt hard moeten knokken om je plaats te krijgen binnen die pop-en rockfotografie?
Eva: “Knokken zou ik het niet noemen, hard werken wel. Je moet trachten om aan opdrachten te geraken, en dat is van nul beginnen. Ik had zoals ik net zei ook enkel een portfolio met foto’s van vrienden. Van het wereldje waarin rock- en popsterren vertoefden, kende ik toen heel weinig.”

Het lijkt me dat de moed om vanonder moeders vleugels te komen en je hele hebben en houden naar Londen te slepen, ook wel bepalend geweest is. Ik zie het anderen je niet meteen nadoen …
Eva: “Ja, maar ik was beter nog tien jaar vroeger verhuisd: toen ik in Londen aakwam, heb ik nog net het einde van de grote boom van de platenfirma’s meegemaakt. Met de magazines ging het toen al bergaf. In die tijd was het ook niet vanzelfsprekend om een groep te contacteren: nu heb je MySpace, Facebook, en talloze andere platformen, waardoor de drempel lager geworden is. Dat is best wel een positieve evolutie, maar tegelijkertijd zie je nu een hele generatie die opgegroeid is in een tijd van economische bloei én beïnvloed is door de hele celebritycultus. Vandaag ligt heel veel focus op ik-ik-ik: veel jonge mensen willen een glamoureuze job, en daar maakt fotografie deel van uit. Maar jonge fotografen doen het vaak om de verkeerde reden en niet omdat het recht uit het hart komt. Vroeger wilden jongeren verpleegster, leraar of boekenverkoper worden, stuk voor stuk nobele jobs. Nu gaat het vooral om het invullen van een verzuchting naar roem. Dat heeft nog weinig met fotografie te maken.”

Alex haalde ook al zoiets aan: het gaat meer om wie je fotografeert dan om wat er op de foto terechtkomt. Backstage afterparties met bands worden belangrijker dan het maken van een foto die de mensen raakt …
Eva: “Coke snuiven met deze of gene hippe band of rondhangen op afterparties vind ik niet meteen de juiste drijfveer. Toen ik net in Londen arriveerde, wist ik zelfs niet dat er iets bestond als afterparties. Ik had er vroeger, toen ik zelf naar concerten ging in de AB of de Botanique, geen flauw benul van dat ik überhaupt backstage zou kunnen. Pas nadat ik zelf begon te fotograferen, heb ik die wereld leren kennen. Maar de fotografie gaat altijd voor. Ik vind het uiteraard heel leuk dat ik met mensen werk en ken voor wie ik artistiek heel veel respect heb, maar dat zijn ook maar mensen, hoor. We delen dezelfde passie, maar vullen ze anders in.”

Hoe lang heeft het bij jou geduurd voor je het métier echt onder de knie had?
Eva: “Toch een hele tijd. Goed leren fotograferen is een proces van jaren. Pas na een paar jaar begon ik grip te krijgen op de technische kant van de zaak én op licht. Ik begon plots het ‘licht’ te zien. In 2001 had ik een sessie met actrice Lyndsey Duncan; de art director heeft me toen enorm op weg geholpen: ik had een paar foto’s gemaakt met een Hasselblad op statief en een paar uit de losse pols met de Mamiya 7; die laatste foto’s waren veel levendiger. Ik heb die actrice nog eens kunnen fotograferen – een tweede kans krijg je meestal niet – met die Mamiya, en op dat moment is alles een beetje beginnen te draaien. Ik kreeg grip op de stijl die ik nu nog hanteer, het licht … Vanaf toen is de focus gekomen en nu weet ik van zodra ik ergens binnenkom waar ik aan toe ben en wat ik moet doen om een goeie foto te krijgen. Ik kan de mensen heel goed op hun gemak stellen: pas als mensen rustig zijn, kan je ze fotograferen. Veel artiesten zijn bang voor de camera. Ik ben zo zeker van waar ik mee bezig ben dat de mensen vertrouwen stellen in mijn manier van werken en benaderen.”

“Coke snuiven met deze of gene hippe band of rondhangen op afterparty’s vind ik niet meteen de juiste drijfveer.”

Ligt daarin ook de verdienste van een goed fotograaf, dat je mensen op hun gemak kan stellen?
Eva: “Absoluut. In 1998 zat ik in New York voor een optreden van Nick Cave. Na het optreden heb ik Anton Corbijn leren kennen: die man straalt zo’n rust uit! Bij hem voel je je – ondanks zijn imposante verschijning – meteen op je gemak. En hij is oprecht geïnteresseerd in wie je bent, wat je doet. Dat zie je ook in de foto’s die hij maakt. Zijn stijl is nooit een invloed geweest, maar ik apprecieer enorm wat hij doet én hij is een heel sympathiek man. Als ik mensen voor de lens krijg, ga ik geen dingen verwachten die ze niet kunnen geven. Artiesten zijn doorgaans gevoelige en vaak heel erg verlegen mensen. Je moet hen als fotograaf op hun gemak stellen, en dat kan je alleen als je zelf rust uitstraalt en weet waar je mee bezig bent. Ongedwongen, maar gefocust. En het gebeurt dat mensen niet mee willen werken. Toen ik David Attenborough (bekend van talloze natuurdocumentaires, red.) wilde portretteren, had hij duidelijk zijn dagje niet, maar het werd toch een goeie foto. Hetzelfde geldt voor John Lydon (frontman van Sex Pistols, red.): moeilijke omstandigheden, maar wel een goed beeld.”

We zullen het even over je foto’s hebben. Je portretten ademen tijdloosheid en zijn qua stijl nauw verwant met portretten uit de klassieke schilderkunst. Het portret van Malcolm Middleton heeft iets van Vermeer, en de acteur Rupert Everett lijkt wel een Jeroen Bosch-figuur. Je stijl leunt ook dicht tegen die van de kunstenaar Michaël Borremans, wiens werk ook een zekere eeuwigheid uitstraalt …
Eva: “Dat klopt, ja. Ik ben al sinds kindsaf enorm geïnteresseerd in schilderkunst. Ik sleurde mijn ouders vroeger mee naar musea, niet andersom. (lacht) Ik heb altijd veel meer van schilderkunst gehouden dan van fotografie, maar ik heb meer voeling met fotografie.”

Met portretfotografie als grootste liefde. Concertfotografie is er niet meer bij.
Eva: “Neen, vroeger wel: ik nam alle jobs aan die ik kon krijgen. Nu doe ik dat niet meer: ik wil interactie met de mensen die ik portretteer, met hen praten … Ik kies graag waar ik hen positioneer, vanuit welke hoek ik fotografeer. Niet dat ik altijd carte blanche krijg, hoor. Met Beth Gibbons ben ik één keer naar Schotland getrokken, maar dat was een one-off. Als ik met PJ Harvey werk, kiest zij een locatie. Het is dan aan mij om het beste eruit te halen. In 99 procent van de gevallen heb ik geen zeg in waar de shoot gebeurt en dat vind ik fijn. I like to improvise on the spot, ik vind dat heel inspirerend. De enige periode die ik moeilijker werken vind, is de winter, want ik werk heel graag met daglicht. Vervanglicht werkt heel intimiderend en het is ook zo’n gedoe. Ik kies dan gewoon voor een flits.”

Even kort, waarmee werk jij doorgaans?
Eva: “Een Fuji 69, een Mayima 7 en een Hasselblad, vooral voor close-ups. Die Mamiya en Fuji zijn rangefinders en lenen zich niet zo voor goed voor close ups.”

Je woont en werkt nu al dertien jaar in Londen, hebt een heel mooi parcours afgelegd. Zou je het opnieuw zo aanpakken?
Eva: “Ja. Ik zou dezelfde keuze maken. Maar, je mag het leven van een fotograaf niet romantiseren: fotografie is een afvalrace. Als je pas begint, val je op omdat je nieuw bent. Opdrachtgevers zijn nieuwsierig en je krijgt je eerste jobs. In het begin is het niet zo moeilijk om door te breken. Na verloop van tijd duikt er weer iemand nieuws op en moet je jezelf weer bewijzen. Je moet dus voortdurend hard werken om in the picture te blijven. Dat is nog steeds zo, hoor. Zeker nu, met de credit crunch: er is minder werk en er is minder geld, maar je moet verder doen, jezelf blijven pushen om er steeds weer het beste van te maken.”

koenbauters.be
alexvanhee.be
evavermandel.com