Raymond van het Groenewoud

"Ik zal altijd liedjes blijven maken"

Uiteraard mocht de man rond wie het slotstuk van 5 jaar Poppunt draait, niet in dit magazine ontbreken. Raymond van het Groenewoud: hij leerde zijn volk rocken in hun moerstaal, schreef prachtige scores voor films van partners in crime Deruddere en Didden en is bijlange niet van plan om snel de brui te geven aan zijn muzikale exploratietocht.Wij stuurden één van onze mannen richting Brugge. Hij liep er Raymond zowaar tegen het muzikale lijf.

Sire Rock ‘n’ Roll

Raymond, ik word volgende maand zelf veertig. Jij bent al met muziek bezig sinds ik geboren ben. Je bent eigenlijk niet weg te denken uit de Belgische muziekgeschiedenis. Verklap ons het geheim van je succes?
Raymond: “Succes is een relatief begrip (lacht). Alles bij elkaar sta ik inderdaad sinds 1966 op het podium. Wat dat succes betreft, ben ik onder de indruk van de definitie van Gerard Reve, die het omschrijft als ‘de mate waarin je zelf vindt dat je hebt kunnen veruiterlijken wat je in je hebt’. Ik heb alvast genoeg materieel succes om er prettig van te kunnen leven. Maar het geheim? Ik denk dat ik – ondanks mijn nonchalante houding, uitspraken in interviews en dergelijke meer – er altijd al fanatiek mee bezig ben geweest. En met het geloof dat het dicht bij mezelf moet blijven.”

Je bent de zoon van de Nederlandse orkestleider Nico Gomez. Kreeg je op die manier je “Liefde voor Muziek” ingelepeld? En kwestie van DNA, als het ware?
Raymond: ”Mijn moeder profileerde zich alvast meer als een vrouw met meer appreciatie voor kunst. Muziek stond daarin wel bovenaan het lijstje, ja. Mijn vader heb ik leren kennen op een moment dat de business hem misschien al verbitterd had, waardoor hij zijn idealistische kijk op de muziek wat verloren had. De liefde komt dus meer van mijn moeder. Bij mij kwam die met een ontsteking, een ware explosie toen ik voor het eerst the Beatles hoorde. Notabene op een moment dat alle andere levenslust ontbrak. Ik was meteen gewonnen voor het geluid dat ze als collectief voortbrachten. Vooral de stem van John Lennon gaf me drive om – ruw gesteld – ook een Beatle te willen zijn.

Misschien ben je een Beatle naar Belgische maatstaven?
Raymond: “Iemand vertelde me ooit dat hij me door van mijn Einzelgänger-schap meer associeert met Dylan. Ik heb het altijd als een gemis gevoeld dat ik niet in de juiste omstandigheden ben opgegroeid om met de maatjes uit de buurt een groepje te vormen. Het resultaat daarvan is dat ik altijd chef d’orchestre geweest ben en andere mensen moet laten doen wat ik in mijn hoofd heb. Iets wat John Lennon en Paul McCartney ook deden, maar toch komen zij meer over als een groep. Ze hebben mekaar ook leren kennen in dezelfde materiële omstandigheden en zagen hun groep als redding om uit een situatie te ontsnappen. Liever rijk en beroemd met een groepke dan in Liverpool te verzanden zonder diploma…”

Rijk en beroemd zullen wij alvast nooit worden. Jij hebt al die tijd met je neus op de Belgische muziekscène gezeten. Welke evoluties zie je in die veertig jaar Belgische pop- en rockmuziek?
Raymond: “Wat opvalt, is dat de jonge gasten zich vandaag sneller bewust zijn van de dingen. Je hoort wel eens dat groepen tegenwoordig meer bedreven zijn in het bespreken van een platencontract dan in het brengen van hun nummers. Aan de ene kant is het leuk dat je niet genaaid wordt, zoals dat heet, maar aan de andere kant vind ik het niet zo opwindend dat een jonge groep zich daar zo mee bezighoudt. Maar misschien zie ik mijn eigen patroon wel te veel als een ideaalpatroon: eerst hard werken en misschien zelfs een beetje in de zak gezet worden; het geld komt later wel. Ik hoop dat er velen zijn die zich met een blind enthousiasme in de muziek storten met een gevoel van ‘dit wil ik doen, dit vind ik okee’.”

Tribuutproject

Wat vind je van het Jonge Heldenproject als eerbetoon aan jouw persoon en je oeuvre?
Raymond: “Ik voel me oprecht vereerd, meer nog dan met een zogenaamde prijs. Of een Award (bulderlach – nvdr. Raymond kreeg in 2004 van ZAMU de Lifetime Achievement Award). Ja, daar dient dat werk voor.”

Heb je de bands zelf al gezien of gehoord?
Raymond: “Nee nog niet, maar ik kijk er wel naar uit. En ja, ik blijf het herhalen: ik ben vereerd hun ‘opa’ te mogen zijn”.

Een trotse opa. Als je terugblikt op je werk, voel je jezelf dan kleinkunstenaar of rocker?
Raymond: “Ik sta daar liever buiten. Als ik het bekijk, merk ik dat ik altijd graag werk met bas en drum. En alles wat erbovenop komt – of ik het nu zelf zing of niet – maakt het menu van de dag. Er komt algauw een gitaar bij, dat is juist, maar ik zou het missen, mochten er geen drummer of geen bassist bij zitten. Dat geeft een ritmepatroon. Je kan alles natuurlijk ook eigenhandig op piano spelen, maar dat zou te veel werk opleveren: ritmepatroon, melodie en zingen. Een terechte kritiek is dat je op die manier wel wat van de intimiteit wegneemt. Vandaar dat ik als de omstandigheden het toelaten, telkens een moment tracht in te bouwen dat ik de bassist en de drummer even achterwege laat. Ik heb ook de joligheid van de zomerfestivals, waar de ritmesectie wel duidelijk aanwezig is.”

Je bent naast zanger een bedreven gitarist en pianist. Wat primeert?
Raymond: “Ik heb een klassieke opleiding piano genoten. Op de piano voel ik me het veiligst. Die opleiding blijft voldoende voelbaar aanwezig; ze kunnen nooit zeggen: ‘Hij kan er niets van’. Qua gitaar zijn er twee kampen. Sommigen zeggen: ‘Hij vertelt op de gitaar, het is emotioneel verantwoord’, anderen zeggen dat ik niet behoorlijk gitaar kan spelen. Ze hebben allebei gelijk.”

Je hebt heel wat groepen gehad met telkens andere namen: de Centimeters, de Vlaamse Mustafa’s, de Straffe Mannen.
Raymond: “Dat komt omdat er nogal wat wisselingen zijn van bandleden en dat ik het niet chique vond tegenover de nieuwkomer om ze met de oude naam op te zadelen.”

Ook heel wat uitstapjes naar andere genres: reggae, cha-cha-cha.
Raymond: “Vroeger keek ik niet verder dan rhythm ‘n’ blues. In de loop der jaren probeerde ik wat funk en reggae in mijn repertoire te incorporeren. Ik heb me erbij neergelegd dat je niet zomaar “tussendoor “ reggae kunt spelen; ofwel speel je in een reggaegroep ofwel niet. Reggae is iets dat zich moet zetten, vind ik, langer dan één nummer. Anders wordt het te licht. Bij funk kan ik me wel verdiepen. Voor mij is de bakermat James Brown. De derivaten interesseren me niet.”

Je hebt ruim 400 nummers op jouw naam staan, ook als songsmid voor diverse groepen. Hoe begin je aan een liedje?
Raymond: “Op 1001 manieren, zoals Dylan zegt. De kruisbestuiving tussen melodie en tekst. Bij James Brown vertrek je vanuit het ritmepatroon en ontstaat er een proces tussen de ritmesectie en de tekstschrijver. Het heilige lied bestaat bij de gratie van een melodie die blijft hangen. Vanochtend zong mijn zoontje van 4 jaar een liedje uit ‘The Sound of Music’. Het stomme is dat een sterke melodie vaak geassocieerd wordt met een kleffe wereld. Alle 13 goed, dat propere, de mensen die geen vuile kantjes hebben. Nummers waar je “Bah!” tegen zegt, zoals tegen de “Sound of Music”, maar waarvan beseft dat die melodie er altijd zal zijn.”

“Als tekstschrijver kost het me moeite om flauwekul te schrijven, in die mate zelfs dat ik het soms bijna bewust doe uit een vorm van agressiviteit. Maar ik weet dat een tekst waar ik me zou om schamen ook niet zal werken in een nummer van iemand anders.”

Wat is jouw Top 3 uit je eigen repertoire?
Raymond: “Twee Meisjes en Meisjes. Omdat ze de ruigere kant en de introspectieve kant van het repertoire wat samenvatten. En nummer drie… dat maakt niet veel meer uit, hé. Misschien Wat een fijne dag.

Je bent Nederlander van geboorte. Zie je een verschil tussen België en Nederland in de manier waarop je nummers ontvangen worden?
Raymond: “In Nederland is het meer gefilterd en komen over het algemeen meer de echte fans opdagen. Hier treed ik vaker op, dus komen ook meer mensen die me weleens willen zien of het wel aardig vinden. Dat geeft een vertekend beeld, vind ik.

Nieuwe media

Toen wij jong waren, gingen we met ons bijeengespaard zakgeld naar de platenboer of per uitzondering, als het mocht van pa en ma, naar een optreden. Kids van tegenwoordig hebben met media als myspace, youtube etc. toegang tot gigantisch veel studio- en live-materiaal van hun idolen. Wat vind je van die evolutie?
Raymond: “ Ja, dan is het ook rapper op, hé. En dan komt er iets anders. Ik werkte ooit nog voor de toenmalige BRT mee aan een satirisch programma en had toegang tot de BRT-discotheek. Het paradijs… maar, dat is snel geëindigd, de lol was er snel af. Ik koop af en toe nog eens een CD, gewoon voor het ritueel op zich. Ik sta hier nu toch in die winkel, laat ik nog eens een CD kopen. Als ik mijn zoons bezig zie, valt het toch ook op dat zij op een veel selectievere manier dan wij op zoek gaan naar muziek die ze echt appreciëren.”

“Ik heb er nooit veel om gegeven om op te treden voor mensen die de kostprijs van een concertticket berekenen aan het aantal pinten dat ze zouden kunnen drinken (lacht). Dat soort mensen interesseert mij niet. Ik heb me zelf ook gedwongen om terug naar optredens te gaan, van verschillende genres. Het laatste dat ik gezien heb was Bert Joris met zijn jazz-groep. Alles zat mee, goede balans. Echt genieten.”

De toekomst, Raymond?
Raymond: “Die lacht me toe (lacht).”

En hij lachte terug. Nog nieuw platenmateriaal op komst?
Raymond: “Het elan is wat weg. Het is een ondankbare job, voor de platenfirma’s en de artiesten ook. Er is niet veel geld meer om ertegenaan te smijten. Maar liedjes maken, dat zal ik altijd wel blijven doen.”

Een uitstekend idee. Nog vele jaren, Raymond.