Oliver-Alex-KBL2

Oliver Alex

Op de grens tussen experiment en performance.

“In de muziek is alles ooit al eens gedaan; het is nog erg moeilijk om origineel te zijn.” Het is een uitspraak die je nu en dan eens hoort. Ten dele waar, ten dele onwaar. Er zal altijd wel een frisse geest zijn die twee ogenschijnlijk niet verzoenbare elementen aan elkaar lijmt en er zijn eigen ding mee doet. Neem nu Oliver Alex, die op een goeie dag besloot om zijn kantoorjob op te geven en zich helemaal toe te leggen op het maken van muziek. Als kind was hij al in de ban van oude machines: de foto’s die hij bij zijn Russische grootmoeder zag, triggerden zijn verbeelding. Grote machines uit de Sovjet-Unie lieten een grote indruk na. Het bloed, en waar het heen gaat: als muzikant maakt hij tegenwoordig techno gebaseerd op het geluid van oude, in onbruik geraakte industriële machines. 

Je moet het toch maar doen: beslissen om helemaal voor de muziek te gaan, wetende dat je geen enkele theoretische bagage hebt, geen do van een mi kan onderscheiden en nog nooit een instrument hebt bespeeld. Oliver Alex liet zich er alleszins niet door doen. Hij schreef zich in voor een cursus sound design, dook zelf in cursussen notenleer, mixing, mastering en videobewerking, en kan nu, twee jaar later, uitpakken met een technoperformance waarin sound en visuals naadloos in elkaar overvloeien.

“Zelfstudie is de sleutel”, zegt hij. “Ik ben altijd al geïnteresseerd geweest in het geluid dat oude machines voortbrengen. Toen ik jaren geleden in een treinstation in Cuba tickets ging kopen, zag ik dat alle tickets nog met de machines getikt werden. Mijn lief porde me aan: ‘Luister, dat is net techno.’ Al die oude typewriters samen zorgden voor een zeer fijne groove. Ik speelde toen al met het idee om daar iets mee te doen. Na mijn beslissing om fulltime voor muziek te gaan, ben ik als bezeten beginnen te studeren. Ik ben musea beginnen aan te schrijven omdat ik voor mijn eindproject sound design de machines die er stonden graag wilde filmen en het geluid ervan wilde opnemen. Ik was zeer aangenaam verrast door de bereidwilligheid van de mensen.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Beeld en geluid zijn in je liveperformances nauw met elkaar verweven. Waarom beperk je je niet gewoon tot muziek?
Oliver: “Elektronische muziek zal nog enorm evolueren, meer in de richting van een totaalbeleving, waarbij zowel beeld, geluid als licht door één artiest in één set geïncorporeerd zullen worden. De scheiding die nu nog bestaat, zal wegebben. Vandaag heb je voor je visuals en je lichtshow nog extra mankracht nodig. Binnen een tiental jaar zal een artiest in een club zijn computer inpluggen en live aan de slag gaan met geluid, licht en projectie. Bij mij maken de visuals inherent deel uit van de performance. In sommige shows bestuur ik ook lasers. Ik heb enorm veel tijd besteed aan het aanleren van de technologie die alle werelden samenbrengt en synchroniseert: geluid, beeld en licht.”

Met welk materiaal maak jij je field recordings?
Oliver: “Met een Roland R-05 en de Zoom H6. Die kleine Roland is ideaal voor het opnemen van omgevingsgeluiden. De grotere Zoom is uitgerust met een richtingsmicrofoon en is erg handig bij detailgeluiden. Omgevingsgeluiden gebruik ik voor de grondlaag of ambiance, die ik combineer met duidelijk afgelijnde sounds. Het tikken van een machine, bijvoorbeeld. Zelfs voor het opnemen van de repetities met mijn andere band vind ik ze uiterst geschikt.”

Wat je doet, is eigenlijk best romantisch: je geeft oude machines een tweede leven met de nieuwste technologie.
Oliver: “Ja. Had ik vooraf niet over nagedacht, maar ik vind het wel fijn dat ik de dichotomie tussen heel nieuw en heel oud kan bespelen. Ik combineer computers, de modernste software én oude apparatuur om de geluiden te reproduceren: een oude jaren 1980 mengtafel, een analoge synth, 20 jaar oude DBX compressoren … Die combinatie zorgt alvast voor een fijne gelaagdheid en een vuile sound. Het heeft wel wat onderzoek gekost voor ik de gewenste output vond. Het mocht niet te mooi klinken, maar ruw en rauw. Ik speel niet voor de mainstreamluisteraar met dit project, maar voor een publiek dat op zoek is naar originaliteit en innovatie.”

OA_IR-1
OA_IR-2
OA_IR-3
OA_IR-4

“Je kan je werkelijk niet voorstellen welk volume zo’n oude machine maakt, aangedreven door een dieselmotor. Die mechaniek, die geluiden, die groove … prachtig!”

Behoor jij eigenlijk tot een scene? Ik associeer je zowel met Autechre, de Belgische Eavesdropper, als The Neon Judgement, Stockhausen en Pierre Henry, met een flinke laag industrial.
Oliver: “In de technowereld neem ik een unieke plaats in, denk ik. Maar mijn sound vindt toch aansluiting bij de analog techno scene: Perc, Ansome en Blawan zijn er maar een paar. Ze delen een gemeenschappelijke liefde voor analoge sequencers en drummachines. Ze maken erg interessante muziek, maar ik wou niet krak hetzelfde doen. De Roland TR-909 wordt al te veel gebruikt. (lacht) Ik hoor van bevriende technomuzikanten dat wat ik doe vrij experimenteel klinkt. Zelf ervaar ik dat niet zo, maar ik begrijp wel dat het gebruik van niet-gangbare klanken op zo’n commentaar botst.”

“Elk genre is gebonden aan een zekere klankencanon. De sound die je krijgt tijdens een technofeestje is anders dan die tijdens een drum & bassfeest of een deephouseparty. Mijn muziek is niet zo makkelijk behapbaar, denk ik. Wie ik erg goed vind, is Matthew Herbert (check zeker zijn ‘Café De Flore’), omdat hij op een conceptuele manier met muziek bezig is. Hij heeft eens een hele set in elkaar gestoken over de slachting van varkens (‘One Pig’, red.), een zeer gedurfd concept met een boodschap. Zeer intrigerend én inspirerend. Net zoals die pioniers die je aanhaalt – Pierre Henry bijvoorbeeld – die zich vooral toespitsten op onderzoek en naar wat er allemaal nog zou komen. Mijn grootste inspiratie blijft toch Jean Tinguely, die mijn passie voor kinetische kunst, tandwielen en beweging heeft aangewakkerd.”

It’s alive!

“Mijn eerste opnames heb ik gemaakt in een textielmuseum in Ronse en later volgden de musea van Izegem, Sint-Niklaas, Gent, Turnhout, Hoenderlo en Dronten. Ik had vooraf al wel wat geëxperimenteerd met de naaimachine van mijn vriendin, om toch niet helemaal onvoorbereid aan mijn taak te beginnen. In Izegem staat een oude Engelse stoommachine uit 1850, de Gardner Goveco Cuincy III. Toen ze die terug in werking stelden, gaf dat een onwaarschijnlijke coole cadans. De machine dreef een as aan die door heel het pakhuis liep om andere machine aan te zwengelen. Ik heb een deel van de opnames nog nooit gebruikt omdat de machine te veel lawaai maakte. Je kan je werkelijk niet voorstellen welk volume zo’n oude machine maakt, aangedreven door een dieselmotor. Die mechaniek, die geluiden, die groove … prachtig!”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

“Hoe ouder de machine, hoe meer groove en hoe groter de afwijking. Er kan al wat sleet zitten op tandwielen of op aandrijfriemen, wat het uiteindelijke geluid bepaalt. Dat zorgt voor veel variatie. Hoe nieuwer de machines, hoe meer ruis en hoe minder ritme. Daarom werken de opnames van oudere machines het beste: duidelijke percussie zonder een constante ruis over alle frequenties. Constante ruis is dan weer goed voor ambiances. Oude machines draaien veel trager, wat het makkelijker maakt om de geluiden achteraf te bewerken.”

“Ik ben dagen gaan opnemen in zeven musea, zowel geluid als film. Daarbij probeerde ik altijd om de aparte machineonderdelen te filmen, omdat close-ups esthetisch interessanter zijn. Hetzelfde geldt voor geluidsopnames: ofwel ga ik heel dicht bij de aparte ‘tikken’ of kies ik voor de machine in zijn geheel. Er is enorm veel werk gekropen in het bewerken van de samples, vooral in het knippen en loops warpen. Ik wou pas beginnen als alle geluiden mooi afgewerkt waren. Ik heb om en bij de veertig machines opgenomen, maar dat gaf qua samplemateriaal verschillende gigabytes aan materiaal.”

Je bent eigenlijk een beetje de Alan Lomax voor de machines. Wat je doet, is niet enkel muziek maken, maar ook geluidsarchivering.
Oliver: “Ik ben nu ook bezig met een videoreportage voor een gids rond de bruggen en sluizen van de haven van Antwerpen. Een heel groot deel is archivering. Het kan zijn waarde hebben voor later. Wat ik tegenwoordig ook doe, is geluid opnemen op familiefeesten, gewoon om vast te leggen hoe een etentje anno 2016 klonk. Stel je voor dat je achterkleinkind zoiets wil horen? Dat is dan toch wel fijn.”

“Ik hoorde onlangs iemand zeggen dat ik een performer-studax ben. Ik doe mijn ding op het podium, omdat het de plek is waar je het resultaat moet voorstellen. Maar het echte werk gebeurt op voorhand in de studie en voorbereiding. Een geboren performer ben ik niet, neen. Ik heb, ironisch genoeg, moeten leren improviseren.”

“Binnen een tiental jaar zal een artiest in een club zijn computer inpluggen en live aan de slag gaan met geluid, licht en projectie.”

Als ik je zo hoor vertellen, moet ik ook denken aan Logos, uit Gent, met Godfried-Willem Raes. Geluidsonderzoekers en kunstenaars …
Oliver: “Die naam is al een paar keer gevallen, ja. In Gent bestaat het al erg lang. In Antwerpen krijg ik gelijkaardige lessen sound design aan de Academie voor Schone Kunsten. Het experiment trekt me wel aan. Ik tast graag die grenzen af.”

Up, up … and away.

Even naar Olivers studio, drie hoog. Meteen valt op: een oud Elka-orgel, zo’n geval waarmee vroeger kerkdiensten of bonte avonden werden opgeluisterd. “Ik ben geen toetsenist maar gebruik het om geluiden te creëren: zowel de typische ritmes (march, waltz …) als de krakende orgelklanken. En hij beschikt over een echte Leslie speaker.” 

Als compressor gebruikt Oliver een DBX 160X, omdat die voor drumsounds het beste resultaat geeft. De mengtafel is een Studiomaster 16-8-2 waarvan de masterbus door een DBX 166 loopt. “De Korg MS-20 heb ik live nog niet gebruikt; ik moet eerst kijken hoe hij in mijn set past. Voor de rest gaat alles wat hier staat mee, al heb ik wel al de raad gehad om dat oude mengpaneel niet te veel te verplaatsen. Ik werk met Ableton, Max en VDMX, en dat loopt wel lekker. Minder fijn is dat ik al dit materiaal telkens weer naar boven moet sleuren. Maar het hoort erbij. Wat ik echt niet graag doe, is kabels ontwarren. Live heb ik toch meer dan een uur nodig om alles aan te sluiten. Op een half uur kan het ook, maar dan moet ik backstage toch al wat kabels kunnen inpluggen. Er lopen nu en dan dingen fout, zoals software die niet reageert hoe ze moet. En aangezien ik de enige ben die weet hoe alles aangesloten is, ben ik ook de enige die weet hoe fouten op te lossen.”

En verder?
“Ik gebruik twee laptops, een voor beeld en een voor het geluid. Kostelijke zaak hoor, maar ik moest wel, want beelden renderen en afspelen vraagt veel werkgeheugen. Met één computer trek je dat niet. Nu ja, ik wil later nog complexe visuals incorporeren. Ik ben dus al gewapend. Mijn twee laptops zijn verbonden met Thunderbolt, wat makkelijke synchronisatie tussen beeld en geluid toelaat (OSC en MIDI over ethernet). Het is pas sinds een paar maand dat ik live meer met de sounds kan spelen. In het begin moest ik enorm veel nadenken en alles in de gaten houden. Dat kan ik nu wel loslaten. Ik ben blij dat ik de techniek nu beheers en kan uitkijken naar meer improvisatie in mijn liveshows.”

vi.be/oliveralex • oliveralex.com