Oathbreaker-KBL1

Oathbreaker

Hard werken. En dan je eigen vruchten plukken.

Alle goeie dingen bestaan uit drie. Drie zoenen voor het nieuwe jaar. Of de derde plaat van een band. Of drie lettergrepen in een bandnaam. In Oathbreaker. Roots in West-Vlaanderen en telgen uit de Church of Ra. Ze brachten eind vorig jaar ‘Rheia’ uit, hun derde plaat. Zij die het kunnen weten, hebben ‘Rheia’ meteen gebombardeerd tot een van de platen van het jaar. Meer nog, met ‘Rheia’ verbreedt Oathbreaker het genre. Hardcore. Blackmetal. Post-metal. Punk. What’s in a name? Met hun derde worp is de band middenin een heuse storm terechtgekomen. In de States wordt ‘Rheia’ overladen met lof. En België is mee. Eindelijk aan de poorten van de grote doorbraak. Tien jaar hard werken levert lekkere vruchten.

Plaats van afspraak: de Gentse Vooruit. Door de zaal dwarrelen Jacques Brel en George Brassens. “Mais les brav’s gens n’aiment pas que – L’on suive une autre route qu’eux …” De ochtend is jong, Caro (zangeres) en Gilles (gitarist) half wakker. Het lange touren – ze zijn net terug van de VS – zit nog in de kleren. Er wordt koffie besteld. En nog een. “Ik ga straks even moeten hardlopen”, zegt Gilles. “Ik sta nu al stijf van de cafeïne.” Op tafel een A4’tje met wat vragen. Maar die blijken niet meteen nodig. Caro en Gilles, in real life geliefden, zijn vocale sparringpartners. Wat de een zegt, triggert een reactie bij de ander. Wij hoeven alleen maar te luisteren en af en toe onze vinger op te steken.

Gilles: “We zouden graag eens in Japan spelen, maar alleen als onze plaat er in de winkel ligt en er goeie promo is. Als we er vaste voet willen krijgen, zullen we het moeten aanpakken zoals we het voor de VS doen. De laatste Amerikaanse tour was fantastisch. Alles viel mooi samen. In maart en april spelen we in New York in de Webster Hall Studio, een venue waar 450 man binnen kan. Dat is evenveel als bij onze releaseshow in de Vooruit. Ik weet niet of we dat concert zullen uitverkopen, maar dat we daar spelen, zegt wel iets over het serieux waarmee er gewerkt wordt. Het geloof is er.”

“Wat moet je doen als je een manager hebt die alles regelt? Kijken in je agenda wat je die dag moet doen?”

Caro: “We hebben onlangs een supporttour gedaan in de VS, en we merkten dat er veel mensen voor ons kwamen opdagen, terwijl we de derde band op de bill waren. We hebben onze volgende tour geboekt via merch sales: op basis van de merchverkoop wisten promotoren hoeveel volk ze konden verwachten. Op twee weken tijd lag die tour vast. Dat is heel snel.”

Gilles: “Ik heb de indruk dat er in de VS vandaag heel veel buzz is rond ‘Rheia’, meer nog dan hier. Al zijn we uiteraard heel content dat de plaat ook hier zo goed onthaald wordt. Het is de eerste keer dat er zoveel te doen is rond Oathbreaker. We zijn als het ware via succes in het buitenland in België opgemerkt. Volgens mij komt dat voor een stuk doordat er tussen de Belgische mainstreampers en de undergroundzines een grote leegte is. Er is niet echt een levendige alternative press met magazines als Metalhammer. Hier kan je bij wijze van spreken de ene week in een undergroundmagazine staan en de volgende week in Humo.”

DIY in het DNA

Helemaal in de traditie van DIY doen jullie haast nog alles zelf. Nooit gedacht: nu wordt het wel eens tijd voor een manager of iemand die jullie belangen behartigt?
Caro: “Er zijn ondertussen al wat mensen de revue gepasseerd, maar we willen niet. Wij werken al tien jaar keihard voor Oathbreaker. Waarom zouden we nu iemand aan boord halen? Omdat die dan een commissie van 15% kan vragen op alles wat we doen? No way. We willen dat niet uit handen geven. Het gevolg is dat we massa’s werk hebben, maar liever zo dan een nobele onbekende te betrekken bij iets wat ons zo na aan het hart ligt. We hebben de afgelopen tien jaar nauwelijks iets aan Oathbreaker verdiend.”

Gilles: “Ik heb eens uitgerekend hoeveel een manager ons zou kosten: met het geld dat we verdiend hebben aan onze Amerikaanse tournee, en waarmee we nu even kunnen leven, zouden we zelfs geen manager kunnen betalen. Mocht er een manager meegereisd zijn, dan was er helemaal geen winst geweest. Meer nog, we zouden er nog extra centen hebben moeten insteken.”

Caro: “Voor België zou een manager nog gekund hebben voor ‘Rheia’ uitkwam. We hadden hier amper voet aan de grond. Maar vandaag? Neen. Wat moet je trouwens doen als je een manager hebt die alles regelt? Kijken in je agenda wat je die dag moet doen? Ik denk dat je op die manier toch wat vervreemdt van waar je mee bezig bent.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Jullie DIY-aanpak is typerend voor de Church of Ra-scene.
Gilles: “Ja, maar soms schiet je daarmee in je eigen voet. Je bent met zoveel dingen bezig dat je niet meer aan spelen toekomt.”

Caro: “Het is 10% spelen en 90% babbelen en shit regelen. Een band op de rails krijgen, is hard werk. Veel mensen zien nu dat Oathbreaker wat succes begint te krijgen, maar we zijn daar de laatste jaren van ’s ochtends tot ’s avonds mee bezig geweest. Toen we terugkwamen van onze tour in de VS en we een snipperdag hadden, zaten we ergens op een caféterras wat te chillen. Toen ik zei dat ik toe was aan vakantie, merkte iemand op dat ik toch net ‘drie maanden gaan touren was’. Congé dus. Touren is niet chillen, hé. Dat is hard werken. Ik heb toen op een paar weken tijd meer dan 30 interviews gedaan, allemaal terwijl we van de ene locatie naar de andere reden.”

Gilles: “Toen Red Bull voorstelde om een documentaire te draaien over de opname van de plaat, waren we aanvankelijk nogal sceptisch. We zagen het niet zitten dat een of andere hippe VJ die onze muziek totaal niet kent of weet waar Oathbreaker voor staat ons zou volgen. We hebben hard moeten vechten om de gasten van Maanlander (Jeroen Mylle en Fabrice Parent, red.), aan boord te krijgen. Hen kennen we. En zij kennen ons. Jeroen en Fabrice doen al onze visuals, artwork en video’s. Met hen werken was de meest logische keuze. Als er iets van of rond Oathbreaker verschijnt, dan moet het kloppen.” (Check de docu op oathbreaker.redbull.be. Aanrader!, red.)

Play from the fucking heart.” Het is een quote van de helaas veel te vroeg ter ziele gegane Bill Hicks. Die aanpak is wel typerend voor Oathbreaker, en bij uitbreiding voor heel de Church of Ra-wereld.
Gilles: “Ik ken die quote. Ik weet dat Hicks het ietwat anders bedoelde, maar ons laatste album kwam wel recht uit het hart. Kijk, als er een genre is waar er nogal wat regels bestaan, dan toch metal. Het moet zus en zo klinken, en het mag niet afwijken van een bestaande norm. Bands als Converge zijn meesters in een consequente sound, plaat na plaat, maar wij wilden iets anders. Na ‘Maelstrøm’ en ‘Eros|Anteros’ hadden we het wat gehad met de manier waarop we aan het werken waren. In ‘Rheia’ heb ik heel veel van mijn muzikale DNA kunnen steken, en dat is niet noodzakelijk allemaal hardcore, punk of metal. Er zit evengoed shoegaze en emo in. Ik wou dat die bron aangeboord werd. Had ik dat niet gedaan en hadden we een doorslagje gemaakt van ‘Eros|Anteros’, dan hadden we onszelf verloochend. Een song als ‘Immortals’ eindigt met een gitaarstukje dat evengoed van Jon Bon Jovi kan zijn. Het is de eerste keer dat we zoiets gedurfd hebben. ‘Rheia’ klinkt door die ogenschijnlijke onorthodoxe ingrepen net zoals we het in ons hoofd hadden.”

“Touren is niet chillen, hé. Dat is hard werken.”

Caro: “Het is een plaat waarop de groei van de band duidelijk hoorbaar is. We hadden dit soort muziek nooit kunnen maken op ons zeventiende. ‘Rheia’ voelt toch ergens aan als een nieuw ijkpunt, een nieuw begin. We hadden van Deathwish (het label, red.) een groot budget gekregen, iets wat we helemaal niet verwacht hadden. Zelfs toen we vertelden dat de plaat anders zou klinken dan wat ze van ons gewend zijn, was er geen aarzeling. Tot Tre McCarthy (samen met Jacob Bannon de mannen achter Deathwish, red.) kwam luisteren en aangaf dat hij toch wat bezorgd was geweest. Toen hij de nieuwe songs hoorde, was hij wel meteen om.”

Fancy the press

Caro: “Niet iedereen reageert echter zo positief. Wij zijn het als band aan onszelf verplicht om te evolueren en niet te blijven steken in een of andere gimmick. Met ‘Rheia’ hebben we een belangrijk stap gezet, maar niet alle fans kunnen daarmee leven. Na een show in Parijs kwam een fan van het eerste uur op me afgestapt. Of ik vijf minuten tijd had. Heb ik me daar een litanie gekregen! We hadden volgens hem onze ziel verkocht. En ‘we speelden met een nieuwe drummer, en Gilles speelde gitaar en onze nieuwe songs waren crap’ … het bleef maar duren. Ik vind dat jammer, maar voor ons was er geen andere weg.”

Gilles: “Ik begrijp dat niet altijd. Sommige mensen claimen je band en bombarderen zich tot de überfan voor wie je alles exclusief schrijft. Als je dan met andere muzikale ideeën komt, wil dat nogal eens knetteren in hun hoofd. Ik weet dat we fans zullen verliezen – hoofdzakelijk mensen die vinden dat we het genre hebben verraden. Maar we zullen er ook bijwinnen. Ik lig daar niet meteen wakker van, maar ik vind het wel jammer. Nu ja, sommige fans vinden enkel onze demoversies goed. Het kan niet voor iedereen goed zijn.”

Caro: “Waar we wel heel tevreden mee waren, was de review op Pitchfork, toch dé referentie wat betreft nieuwe muziek. Zij hebben echt de vinger aan de pols van alles wat beweegt. Het vreemde aan Pitchfork is dat de reviewer zelf geen sterren mag geven aan de plaat die hij bespreekt. Dat doet de hoofdredacteur. De review van ‘Rheia’ was lovend, het cijfer iets minder. Maar goed, het is via Pitchfork dat de Belgische pers op ‘Rheia’ gevallen is. Dat was wel cool.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Het is misschien een toeval, maar bij elke plaat die jullie uitbrengen, komt er een kwartier muziek bij. ‘Maelstrøm’ duurde 30 minuten, ‘Eros|Anteros’ 45 minuten, en ‘Rheia’ …
Caro: “… duurt één uur. (lacht) Ja, al heeft het niet veel gescheeld of er waren twee songs niet op de plaat beland. Dat is iets waar we nogal mee bezig zijn: hoe hou je een plaat boeiend? Hoe hou je een concert boeiend? Zelf vind ik een concert van 45 minuten lang, zeker als het van een band is die heel de tijd volle gas geeft. Dat is heftig. Vandaar dat wij er vroeger voor kozen om concerten te beperken tot 30 minuten. Dat is niet zo lang, maar lang genoeg om een uppercut te geven. Nu doen we dat niet meer, en spelen we de plaat quasi integraal. ‘Rheia’ vertelt een verhaal en dat willen we op het podium brengen. Eén song spelen we niet, omdat het daarvoor te vroeg is. Oathbreaker is nog niet klaar om met een akoestische gitaar op het podium te kruipen en bij wijze van spreken ‘Kumbaya’ te zingen. En onze fans al zeker niet. Bijkomende uitdaging nu is dat ik zing én schreeuw. Het heeft een tijdje geduurd voor ik die switch makkelijk kon maken. In de studio was het makkelijk: we hebben de zangstem en het schreeuwen apart opgenomen. Live moet dat er in één keer uit.”

Gilles: “Ik weet niet hoe Caro dat volhoudt. Na onze tour van 32 shows volgden 2 dagen rust en dan gingen we weer de baan op voor nog eens 30 shows. Ik dacht: ‘Dat gaat nooit lukken. Caro gaat er de brui aan geven en ik ga in de Ikea moeten gaan werken.’ Maar neen. Ze heeft haar stem hooguit twee dagen rust moeten geven, waarvan één dag op weg van Berlijn naar Stockholm.”

Het kan niet anders of jullie hebben een vaste geluidsmixer. Jullie sound is zo gelaagd dat enkel iemand die de songs door en door kent ze live tot de juiste proporties weet te herleiden.
Caro: “Ja, maar dat is wel even anders geweest. We hebben het lang zonder gedaan, maar dat is nu echt niet meer te doen. We hebben iemand nodig die Oathbreaker door en door kent, die weet hoe hij blasts moet mixen, hoe hij de dynamiek van de set moet vertalen naar de zaal, en hoe hij mijn stem goed krijgt. Wij weten nooit hoe het geluid in de zaal is, maar we weten dat onze mixers er alles aan doen om het goed te krijgen. Op het podium zelf suckt het meestal. Voor een vaste podiummixer hebben we alsnog geen centen.”

Gilles: “Onze tour door de States was de meeste relaxe ever. We speelden als support voor een andere band en konden dus hun backline gebruiken. Handig, want zeulen met gear was er niet echt bij. We konden als het ware om 21 uur opduiken, spelen en weer vertrekken. Maar wat hebben we toen een miserie gehad met onze sound!”

Caro: “Je moet weten dat ik één microfoon gebruik met twee kanalen en een footswitch. Ik moet in mijn monitor mijn zangstem horen, en in veel mindere mate het geschreeuw. Maar de meeste vaste geluidsmixers deden gewoon hun goesting. Frustrerend wel. (lacht)

“Voor Belgische bands die veel in België spelen en dan pas naar de VS of de UK gaan, is het soms echt moeilijk. Ze gaan van luxe naar absoluut geen luxe.”

Gilles: “Ik heb de indruk dat er een hele generatie verzuurde mixers aan het werk is. Gasten die al jaren voor dezelfde venue werken en echt geen bal geven om de sound van de band. In Milaan was er een die hoopte dat we onze instrumenten aan het einde van de show in de fik zouden steken. En dat was geen grap. Hetzelfde verhaal krijg je met lichtmannen. Wij hebben doorgaans één request: donker en blauw licht. That’s it. Maar denk je dat we dat altijd krijgen?”

Caro: “Gilles kan zich daar verschrikkelijk in opjagen. Nu ja, hij heeft gelijk, want we vragen echt niet veel. Maar hebben wel een idee hoe onze show er moet uitzien. Blauw en donker, dat past perfect. Als een lichtman dan tussen de songs door een volgspot op je gezicht zet of doodleuk de zaallichten aanfloept, dan is het: weg sfeer.”

Gilles: “Je zou kunnen zeggen: neem dan zelf een lichtman en een podiummixer mee, maar zo eenvoudig is dat niet. Het lijkt wel alsof we door de evolutie die Oathbreaker doormaakt alles terug moeten uitpuren, omdat er gewoonweg nog te weinig centen zijn om iedereen mee aan boord te krijgen. Gelukkig kunnen we nog veel zelf doen, maar ik vraag me af hoe lang dat nog zal duren.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Wat nemen jullie doorgaans mee aan instrumenten, als jullie support zijn?
Gilles: “Gitaren, een pedalboard en kabels. Mijn pedalboard past zich nogal makkelijk aan aan versterkers. Bij de vorige tour vroeg ik altijd wat er voorhanden was en kon ik de gear vooraf wel ergens uittesten. Tegenwoordig huren we onze backline bij een kerel die hetzelfde materiaal heeft als het onze. Dat is handig.”

Caro: “Op tour gaan is echt werken. Zeker als je nog weinig bekend bent. Belgische bands zijn erg verwend. Als we in België ergens arriveren, dan staat er steevast een mandje klaar met wat fruit, liggen er broodjes, is er drank … Zelfs de kleinste zaaltjes zorgen ervoor dat er iets te eten is. In de UK en zeker in de VS is dat toch even anders: je krijgt er niets, behalve je fee en zo nu en dan eens een paar dollar om iets te eten. Hoe vaak wij niet voor 100 dollar in een tochtige kelder gespeeld hebben, en op de grond geslapen …”

Gilles: “België is een paradijs. Het is een zwaard dat langs twee kanten snijdt. Wij appreciëren die Belgische aanpak enorm, maar we weten ook hoe het er elders aan toegaat. Oathbreaker laat zich door niets meer verrassen. Voor Belgische bands die veel in België spelen en dan pas naar de VS of de UK gaan, is het soms echt moeilijk. Ze gaan van luxe naar absoluut geen luxe. Als je dat niet gewend bent, sta je na twee weken terug thuis. Ons parcours loopt een beetje andersom: we hebben al die kleine, scruffy zaaltjes al gezien en plukken nu wel de vruchten van die energie.”

“Ik zou het niet anders willen, ook al betekent het dat we geen rotte frank hebben.”

Caro: “Ik doe dit al sinds mijn 13e. Ik ben er nu 26. Gilles 25. Nog jong, dus.”

Gilles: “Ja, we hebben wel een stuk van ons leven on hold gezet. Op het moment dat veel leeftijdsgenoten denken aan een huis kopen of kinderen en een vaste job, zitten wij ergens in een busje, tussen twee Amerikaanse steden. Ik zou het niet anders willen, ook al betekent het dat we geen rotte frank hebben. Het is een keuze.”

Caro: “We moeten er wel op letten dat we niet uitgetourd geraken. Ik ken een aantal bands die tot acht maanden na elkaar op tour gaan, overal spelen, meestal op plekken waar het niet zo aangenaam is. Die zijn na acht maanden touren volledig op.”

Over op tour zijn gesproken: er was van Oathbreaker bijna geen sprake geweest. Jullie eerste album is er pas gekomen na een lange periode van aanmodderen en twijfelen.
Gilles: “Ja. Heftige periode toen. Niemand zat toen echt goed in zijn vel, herinner ik me. En niemand had echt de drive om iets te doen met de songs die we aan het schrijven waren. Tot Ivo (de vorige drummer, red.) met zijn vuist op tafel sloeg en zei dat we die songs toch maar eens moesten opnemen. En zo geschiedde. (lacht)

Dat net hij er nu niet meer bij is …
Caro: “Ja, dat was geen leuke beslissing, maar het kon niet anders. Ivo heeft meegeschreven aan ‘Rheia’, de meeste drumpartijen komen van zijn hand, maar op een bepaald moment heeft hij moeten afhaken. Een overbelasting van zijn achillespees. Zeer jammer, want Ivo is één van de meest hardwerkende mensen die ik ken. Zijn aanpak en overgave, dat was echt fantastisch. Hoe hij zat te werken op zijn blasts: chapeau. Wim Coppers (die met Gilles samenspeelt bij Wiegedood, red.) heeft zijn taak overgenomen.”

Voor de eerste keer hebben jullie alles zonder clicktrack opgenomen.
Gilles: “Ja, en dat was wel een openbaring. We zijn voor de opname van ‘Rheia’ naar de studio van Jack Shirley getrokken (die ook werkt met o.a. Deafheaven, red.). Zijn aanpak verschilt nogal met wat we gewoon waren. Hij neemt alles analoog op, op tape, en werkt zonder click. Voor de tweede vorige platen namen we op zoals de meeste metalbands het doen: eerst de drum, dan de bas, en dan de gitaren. Op click, zodat alles perfect zit. Ik heb nu gezien dat je dan wel een perfecte track krijgt, maar dat de ziel er vaak uit verdwenen is. Door niet met click te spelen, hebben we meer dynamiek in de songs gekregen. De groove van een song was belangrijker dan een zeer steady tempo of een foutje. Het is de dynamiek van onze muziek enkel maar ten goede gekomen.”

theoathbreakerreigns.com