Lennart-Janssen-KBL1

Lennart Janssen

Gitarist bij Statue, Shun Club en Bonfire Lakes

Tien amps. Een twintigtal gitaren. En een ontzagwekkende pedalencollectie. Lennart Janssen is trotse Limburger, PXL-Music alumnus en gearslut. Liefhebbers van het betere opwindende gitaarwerk kennen zijn band Statue: een instrumentaal lawaaicollectief met zomaar eventjes vier elektrische gitaren, bas en drums op de loonlijst. Op uitnodiging van Stijn Meuris sloopten ze afgelopen zomer de Wablief?!-tent op Pukkelpop. Naast Statue levert Janssen zijn diensten aan het te ontdekken popcollectief Shun Club (band rond Johan Verckist van General Mindy) en het zeskoppige singersongproject Bonfire Lakes.

In het verleden hebben we, in deze rubriek en op de Poppunt-site, gitaristen al uitvoerig klank en beeld laten verschaffen bij de pareltjes op hun pedalboard. Maar deze keer trekken we naar Limburg met een andere vraag op de lippen: hoe selecteer je als gitarist, mét uitpuilende materiaalkamer, in dienst van uiteenlopende bands de juiste gear voor één welbepaalde groep? Hoe functioneert gear in verschillende contexten, van studiowerk tot livesituaties? En wat zijn de criteria waaraan de aspirant-gitarist nieuwe aankopen moet toetsen om een veelzijdig en breed inzetbaar instrumentarium op te bouwen? En hoe ontaardt een band met vier gitaristen, in godsnaam, niét in chaos?

Met andere woorden, Lennart: met welk gerief doe jij de dagelijkse koorddans tussen noise, pop en weemoedige songs in al je bands?
Janssen: “Mijn hoofdgitaar is een oude Fender Jaguar – daarmee kan ik elke situatie aan. Ik heb ook een Telecaster. Die is nog van mijn pa geweest en is uitermate geschikt voor het betere studiowerk. Daarnaast heb ik een tiental speciallekes van Eko, een Italiaans merk opgericht in de jaren vijftig en enorm populair geworden in de sixties.”

Moet je als professioneel muzikant over véél materiaal beschikken?
Janssen: “Ja en neen. Sessiemuzikanten die op maandag voor K3 en op dinsdag voor een metalgroep worden opgebeld, beschikken best over de juiste gitaren en het juiste materiaal voor die jobs. Maar zelf vind ik dat niet belangrijk: ik vind het veel interessanter om gebeld te worden om wie ik bén, dan om wat ik heb. Met de vraag ‘Hé, kom je efkes een Steve Vai-riff inspelen?’ moeten ze bij mij niet aankloppen. (lacht) In mijn bands varieert de materiaalkeuze trouwens constant – het hangt er vooral van af hoe ik me die dag voel. Maar tóch gaat het altijd als Lennart Janssen klinken.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

“Op de foto’s is één van mijn Eko’s te zien, een hollow body. De originele pickups heb ik onlangs laten vervangen door TV Jones-pickups – dat zijn de pickups in oude Gretsch-gitaren, sowieso mijn grote gitaarliefde. Dat experiment is heel tof uitgedraaid en die gitaar is op dit moment één van mijn favoriete livegitaren.”

“De gitaren van Eko zien er niet alleen ultracool uit, ze klinken ook helemaal anders dan de klassieke Strato- of Telecasters. Omdat ze een stuk stroever spelen dan, euh… goeie gitaren, moet je ze anders benaderen: rammelende frets moet je omzeilen door een andere vingerzetting, bijvoorbeeld, en zo produceer je automatisch een bijzondere, persoonlijker sound. Een instrument moet je als muzikant vooral uitdagen, vind ik.”

Welk type gearslut ben je? Lees je de handleiding of net niet?
Janssen: “Ik ga altijd op zoek naar pedalen of versterkers met karakter en persoonlijkheid. Sowieso koop ik weinig moderne spullen: als pakweg Electro Harmonix iets nieuws lanceert, hoef ik dat niet per se te hebben. En handleidingen lees ik niet: op de meest interessante geluiden stoot je vaak toevallig, door een beetje rond te klooien en te zien waar je uitkomt. Materiaal dient om mee te experimenteren.”

“Experimenteer! Test zo veel mogelijk materiaal, en begin niet onmiddellijk alles te kopen. Leen spullen van vrienden.”

“Voor gitaren is het visuele toch niet onbelangrijk. Op een gitaar word je verliefd, hé. En als ze dan nog enigszins speciaal klinkt en geen pijn doet aan de portemonnee, dan moet je niet twijfelen. Maar aan twee à drie goeie gitaren heb ik nu wel genoeg. Bij de aanschaf van materiaal is mijn motto: wat mis ik nog in mijn spectrum? Een ring modulator had ik bijvoorbeeld nog niet, da’s mijn laatste aankoop geweest: een heel tof studiopedaaltje, om een song extra cachet te geven, iets mysterieus en onverklaarbaars.”

“Wat amps betreft: die moeten oud zijn, en moeten iets vreemds hebben. Nieuwe versterkers uit massaproductielijnen hebben geen karakter. Mijn oog valt zelfs meestal op onbekende merken. Sinds een week of twee gebruik ik een oude Eko, een Vox AC15-kloon. Die stond stof te vergaren bij mij thuis. Maar ze mocht onlangs mee voor een liveshow en ze heeft me verbluft. Klinkt echt te gek! Ik heb wel een vrij nieuwe speaker. Nu we onder gearsluts zijn, mag ik namedroppen, zeker? Een Doctor Z-cabinet, die heeft een groter bereik dan oudere speakers.”

Is er een bepaalde evolutie in je koopgedrag en materiaalkeuze?
Janssen: “Toen ik begon te spelen, zo’n tien jaar geleden, was ik dol op Jimi Hendrix en droomde ik van een Stratocaster. Ik heb er nooit één gekocht, en daar ben ik nu heel blij om. Pas op, Stratocasters zijn goeie gitaren, hé. Maar ze passen niet bij mijn speelstijl. Zes jaar geleden heb ik een Jaguar gekocht en die is veel beter geschikt voor mijn spel. Ik speel bijvoorbeeld vaak achter de brug, om Sonic Youth-noise te maken – dat kan niet op een Strat. En ik maak ook veel gebruik van de vibrato-arm. Die zijn bij Jaguars helemaal anders dan Bigsby’s, of het tremolosysteem van Stratocaster.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Hoe kan je sound oefenen?
Janssen: “Eerst en vooral door veel naar muziek te luisteren. Zoek bands en gitaristen die je goed vindt, en pik van iedereen een beetje. Wat vind je precies interessant aan deze of gene gitarist? En welke elementen kan je gebruiken binnen je eigen sound? Experimenteer ook! Test zo veel mogelijk materiaal, maar begin niet onmiddellijk alles te kopen. Leen spullen van vrienden. En blijf evolueren: sound is een nooit ophoudende zoektocht.”

“Op de PXL hebben we alle grote genres en belangrijke gitaristen bestudeerd én nagespeeld: Hendrix, Eric Clapton, Van Halen … Waardevolle lessen! Zo heb ik ontdekt dat mijn voorkeur uitgaat naar hoekige gitaristen. De bluesy, perfecte sound van de Claptons van deze wereld ben ik beu: veel te proper. Een gitarist en experimentalist als Thurston Moore vind ik duizend keer interessanter. Hoe hij gitaren en sound benadert: waan-zin-nig!”

Onlangs trok Wouter Van Belle hier flink van leer tegen de PXL-Music, waar de focus vooral op techniek en minder op een zoektocht naar persoonlijkheid zou liggen. Heb je aan de PXL de juiste attitudes geleerd ten opzichte van gear?
Janssen: “Ik ben het niet eens met Van Belle en ik betreur de negatieve bijklank als het over de PXL-Music gaat. De lesgevers zijn mensen uit het werkveld: de meesten staan al twintig jaar in de praktijk en hebben dus bakken ervaring om door te geven. En in tegenstelling tot jazz- en klassieke opleidingen aan het conservatorium concentreert de PXL-Music zich niet op virtuositeit. Met andere woorden: je leert er niet zo veel mogelijk toonladders aframmelen in een minuut. Integendeel: wij werden net hard aangemoedigd om te experimenteren. Leer je er rocken? Nee, natuurlijk niet. Maar de school moedigt je wél aan om op zoek te gaan naar wie je bent als muzikant.”

“De interessante wending die je als luisteraar niet ziet aankomen, dat is vaak mijn bijdrage.”

Statue telt, naast een drummer en bassist, zomaar eventjes vier gitaristen. Wat is de taakverdeling die kakofonie voorkomt?
Janssen: “Statue is een goed geoliede machine: de gitaren zijn als raderwerkjes die perfect in elkaar klikken en één geheel vormen. Elke muzikant ken zijn plaats in de band, zonder dat we het expliciet moeten verwoorden. Joos Houwen legt de onderste laag neer, zeg maar, de begeleiding. Maxim Helincks speelt de riffs. En Emiel Van Den Abbeele en ik doen de melodieën en noise. Maar die taken zijn niet in steen gebeiteld, we kunnen heel makkelijk van rol switchen.”

“We zaten met elkaar in de klas en wilden een zot experiment doen. Na onze eerste show merkten we dat de formule werkte: niet alleen voelden we onderling heel wat chemie, we zetten samen ook een indrukwekkende wall of sound neer. Zo is die band natuurlijk gegroeid.”

Wat is de meest dierbare raad die je ooit kreeg?
Janssens: “Stop nooit met zoeken. Naar sound, naar persoonlijkheid, naar materiaal om verliefd op te worden. En verder: speel niet als de song er niet om vraagt – dat is een héél belangrijke les. Ik speel altijd in dienst van het groter geheel, van de song. In Shun Club en Bonfire Lakes speel ik meestal zelfs gewoon niet: ik wacht, om de muziek ruimte te geven. En dan, op het juiste moment, val ik in met een coole lick of riff, of haal ik fel uit met een flinke noise-eruptie. De interessante wending die je als luisteraar niet ziet aankomen, dat is mijn bijdrage aan die bands.”

Tot slot: mocht je één persoon mogen schrappen uit de muziekgeschiedenis. Wie kies je?
Janssen: “De uitvinder van de chorus. Geen idee wie die mens is, maar ik gruwel van die eighties sound die nu aan het terugkeren is. Toegegeven: op mijn pedalboard zit een choruspedaal. Die gebruik ik om de treble bij noise-erupties zachter te maken. Maar het nut van dat effect ontgaat me voor de rest volledig. (lacht)

statuemusic.com