Isolde Lasoen

Less = more, op de drumles bij Isolde Lasoen

Isolde Lasoen was zes toen ze voor het eerst als trommelaar met de plaatselijke fanfare mee door de straten van Maldegem mocht marcheren. Een familietraditie, zegt ze zelf. Haar moeder speelde er de grote trom, haar broer de gewone trom en haar vader trompet. Nu, achttien jaar later, zit Isolde achter het drumstel bij Daan, Skeemz en Briskey. Eens te meer het bewijs van hoe ‘vroeg begonnen’ vaak ‘half gewonnen’ betekent. Wij stonden in ieder geval vooraan in de rij om haar enkele van haar drumgeheimen te ontfutselen.

In de plaatselijke muziekschool koos Isolde Lasoen voor klassiek slagwerk. Op die manier kon ze wat ze op school leerde, ook gebruiken bij de fanfare. Toen ze later slagwerk wou gaan studeren aan het conservatorium van Antwerpen, knapte ze echter af op de sfeer.“Het viel me daar echt tegen. Ik keek de kat dan maar even uit de boom en schreef me als vrij student in aan het kunsthumaniora in Gent. Ik ging ondertussen steeds meer naar jazz- en funkconcerten en kreeg zo zin om zelf jazz te beginnen spelen; vandaar dat ik besloot me voor te bereiden op een jazzstudie aan het conservatorium van Gent. In eerste instantie wou ik vibrafoon spelen, maar dat bleek niet te kunnen. Al vanaf de eerste week voelde ik dat ik er op mijn plaats zat.”

Nieuwe prikkels nodig

Ondertussen is Isolde afgestudeerd en geeft ze zelf les: drum en samenspel aan de muziekscholen van Knokke en Geraardsbergen. Ze bouwde ook een ruime ervaring op bij verschillende groepen met uiteenlopende stijlen. We vragen haar of ze er bewust voor kiest om in diverse projecten te spelen. “Sommige zaken krijg je gewoon in de schoot geworpen, zoals Daan, die belde me zelf op. Maar inderdaad, ik wil zoveel mogelijk verschillende stijlen spelen en ga daar ook bewust naar op zoek. Ik zou me muzikaal niet bevredigd voelen mocht ik me beperken tot één stijl. Als je veel drumt en in verschillende groepen speelt, leer je ook enorm veel bij. Je krijgt voortdurend nieuwe prikkels. Soms is het zelfs frustrerend, want hoe meer je speelt en leert, hoe meer je beseft wat je allemaal nog te leren hebt. Je moet dus voortdurend blijven spelen, blijven studeren.” Geeft een jazzopleiding een goede basis om al die stijlen aan te kunnen? “Ik vind van wel, maar er is veel meer dan de opleiding alleen: je moet je al die stijlen tenslotte toch zelf eigen maken. Als je louter doet was ze je aan het conservatorium leren dan blijft het bij jazz. Ze stimuleren je er niet om pop of funk te spelen. Ik denk vooral dat je zelf voldoende open minded moet zijn.” Als we haar vragen of ze zichzelf als een sessiemuzikant ziet, reageert ze een beetje verontwaardigd. “Ik hou echt niet van dat woord. Het doet me denken aan muzikanten die bij een groep als De Laatste Show-band gaan spelen. Ik denk dat ik toch op een andere manier met muziek bezig ben. Voor de groepen waarin ik speel, wil ik me volledig geven. Ik voel me ook betrokken bij die groepen en help om de songs mee vorm te geven.”

De klank blijft het belangrijkst

Isolde bezit twee Pearls en een vintage Slingerland uit 1970. Waar let ze op als ze zich een drumstel aanschaft? “De klankkleur van een drum komt voor mij op de eerste plaats en is uitermate belangrijk. Voor mij moet een drum warm klinken. Daarom ben ik zo blij dat ik die tweedehands Slingerland op de kop heb kunnen tikken, een beetje de Jaguar van de drums. Hij is als nieuw, klinkt erg mooi en ziet er fantastisch uit. De klank is echter persoonlijk: dat moet je voor jezelf uitmaken. Je kan bij een aankoop ook altijd nagaan of de statieven wel degelijk zijn. Meestal zie je dat wel aan het gebruikte materiaal of aan het gewicht. Ik weet vooraf meestal welke serie van welk merk in orde is. Als je in het milieu zit, hoor je daarover genoeg. Het internet is natuurlijk ook altijd een goede bron om informatie vinden. Eigenlijk kan je van een middelmatig drumstel altijd een goed drumstel maken: als je bijvoorbeeld investeert in goeie vellen. Bij de keuze van cimbalen ligt de zaak volledig anders. Ik ga natuurlijk in eerste instantie af op de klank, maar bepaalde merken zal ik sowieso nooit kopen omdat ze me niet liggen. Ik speel voornamelijk met Istanbul-, Zildjian-, Pizichino-, een handgemaakt Italiaans merk, en Bosphorus-cimbalen. Goede cimbalen zijn duur, maar je moet niet altijd afgaan op de prijs. Van Stagg, een goedkoop merk dat zowat alles produceert, heb ik een crash en een grote china die echt fantastisch klinken. Ik gebruik ze voortdurend bij Daan.” Om te drummen heb je natuurlijk ook stokken nodig: zijn die even belangrijk als het drumstel? “Zeker, stokken moeten goed in de hand liggen en van een degelijke kwaliteit zijn. Ik vind ook dat twee stokken ongeveer even zwaar moeten zijn. Het is vreemd, maar je vindt in een winkel zelden twee stokken van hetzelfde gewicht, zelfs als zitten ze in dezelfde verpakking. Het verschil is soms echt opvallend. Meestal haal ik ze daarom eerst uit de verpakking en weeg ik ze. Verder test ik ze altijd even op een stuk steen of hout om te horen of ze gelijk klinken. Tenslotte ga ik na of de nerven van het hout recht lopen. Als dat niet zo is, breken ze makkelijk. Ik speel trouwens altijd met Zildjian- of Vater-stokken.” Drummers verslijten wel eens drumstokken alsof ze van karton gemaakt zijn. Hoe zit dat met Isolde? “Vroeger deed ik altijd erg lang met een paar drumstokken. Ik was er best fier op. Nu ik niet meer in een jazzgroep zit en dus ietsje harder speel, verslijten ze natuurlijk sneller. Ik heb daarom altijd een heel arsenaal aan stokken bij me. Na een concert durven fans me al eens om m’n stokken komen vragen. Ik geef ze alleen als ze versleten zijn, anders kost het me een fortuin.”

Een minimale opstelling

Drumstellen bestaan er in alle soorten en maten, maar ook de opstelling verschilt van stijl tot stijl, en van persoon tot persoon. We veronderstellen dat Isolde niet elk optreden met een uitgebreide hardrockset komt aandraven. “(lacht) Nee, zeker niet. Ik ben erg minimalistisch ingesteld; een basdrum, een tom en een floortom, dat is het. Als cimbalen gebruik ik meestal twee rides en één crash. Af en toe gebruik ik ook kleine percussie-instrumenten. Ik ben redelijk gehecht aan die basisopstelling en zal die niet vlug veranderen. Nu ik meerdere drumstellen heb, kan ik soms niet kiezen welke snare ik bijvoorbeeld wil meenemen, omdat ze allemaal even goed klinken. In de studio durf ik wel eens verschillende set-ups met elkaar vermengen. Live speel ik altijd met stukken die bij elkaar horen.” We vragen haar wat een degelijke basisopstelling zoal moet kosten. “Moeilijke vraag, omdat de cimbalen uiteindelijk de prijs van het drumstel gaan bepalen. Zonder cimbalen, maar wel met alle statieven moet je zeker voor 700 à 1000 euro iets degelijks kunnen vinden. Bepaalde sets voor beginners van Yamaha zijn naar het schijnt erg goed en niet duur.” Ze merkt ook op dat als er plannen zijn om veel live te spelen, er ook maar beter meteen geïnvesteerd wordt  in degelijke beschermhoezen of cases. Een drumstel is nu eenmaal gevoelig aan het leven on the road.  “Je hebt verschillende merken en uiteenlopende kwaliteiten. Hardcases zijn natuurlijk het beste, maar duur. Je hebt echter ook goede softcases. Stagg heeft een goedkope reeks die echt degelijk is.”

Studiowerk is soms confronterend

Isolde drumde ondertussen al de nodige ervaring bij elkaar en heeft zowel een uitgebreide live- als studio-ervaring. Is er een verschil tussen beide? “In de studio werken kan soms erg confronterend zijn. Elk verschil in tempo of dynamiek valt daar onmiddellijk op. Het is soms moeilijk om er jezelf te zijn, uit angst fouten te maken. Je moet die angst kunnen overwinnen en gewoon verder spelen. Het hangt ook af van de manier van werken: soms ontstaat er een echte werksfeer en vergeet je dat je in een studio zit. In het geval van Daan stuurde hij ons de opnamen vooraf op zodat we thuis al een en ander konden voorbereiden. Daarna nodigde hij ons uit om een paar dagen te komen spelen in de studio. Een leuke manier van werken.”

Een drumstel moet zowel live als in een studio steeds gestemd staan. Het is misschien een nogal technisch aspect, maar toch willen we weten of Isolde ook op dat vlak een aantal gouden tips voor ons in huis heeft. “Het stemmen van een drum is niet altijd even makkelijk. Iedereen heeft ook een andere voorkeur qua stemming. Je moet in ieder geval de stemschroeven eerst losmaken en het vel er volledig afhalen. Daarna leg je het vel er opnieuw op of gebruik je een nieuw vel. Dan draai je de stemschroeven aan totdat ze vast lijken te zitten. Het vel span je verder aan met een stemsleutel. Dat doe je steeds overhoeks. Het moet uiteindelijk overal even gespannen staan. Welke toonhoogte je ook prefereert, alle hoeken moeten even hoog klinken. Het blijft echter een delicaat gegeven. Soms kom je tot de juiste klank en zit je plots met een galm. Die moet je dan weer wegwerken door een zakdoek of een stuk tape op het vel te plakken. Soms ben je zo wel een tijdje bezig.”

Drummen is, meer dan bij andere instrumenten, een erg fysieke bezigheid, zowel op speelvlak als op ‘draagvlak’. We vroegen Isolde of ze daar last van heeft. “Drum spelen betekent steeds opnieuw veel en soms zware onderdelen versjouwen. Het hoort er nu eenmaal bij. Het drummen zelf is inderdaad zeer fysiek, maar ik word er niet moe van. Integendeel, ik krijg er meer energie door.” Tot slot: is er een verschil tussen mannelijke en vrouwelijke drummers. “Er is zeker een verschil. Laat ik voorzichtig blijven en zeggen dat de meeste vrouwelijke drummers functioneler drummen dan mannen. Ze spelen meer in functie van de muziek. Less betekent voor hen vaak more. Het zal wel iets met het ego te maken hebben zeker. (lacht)