Folk in Vlaanderen

Vlaamse folk is vet en groovy

Het onderwerp voor het eerste dossier van 2009 vindt zijn oorsprong diep in de tijd, toen Pieter Brueghel de Oude het Vlaamse leven voor de eeuwigheid vastlegde, en her en der te lande muzikanten met draailieren, doedelzakken, fluitjes, accordeons en dies meer het leven van alledag opvrolijkten. Met volksmuziek, liederen en dansen die al generaties meegingen. Cultureel erfgoed dat in de loop der eeuwen meer en meer leek te verdwijnen. De grote schat aan volksmuziek leek – samen met de mondelinge overlevering – een stille dood te sterven. Tot een aantal gepassioneerde lui in de jaren 1960 de boer optrokken en bij oude mensen volks muziekmateriaal gingen sprokkelen; het was de aanzet voor een ware folkrevival. De laatste jaren heeft folk – dankzij een nieuwe lichting muzikanten en initiatieven – nog meer aan succes gewonnen. Het genre heeft vandaag nog weinig uitstaans met folklore of geitenwollen sokken. Integendeel, folk is een volwaardig muziekgenre dat bij het jonge volk enorm veel succes kent. Ons cultureel erfgoed is gevrijwaard van de ondergang. Of dient dat toch genuanceerd? Poppunt legde zijn oor te luister bij een aantal key players en kreeg – de bourree dansend – volgend verhaal voorgeschoteld.

Waar begin je in Wodans naam aan een verhaal met wortels diep in het verleden? Bij Wim Claeys, bijvoorbeeld, folkie in hart en nieren, muzikant bij Ambrozijn en Olla Vogala, lesgever diatonisch accordeon aan de muziekacademie van Ieper, en bezieler van het Boombal, het folkbal dat de folkwereld een frisse injectie gaf en nu aan talloze jonge bands speelplekken biedt. “Er is de laatste jaren heel wat veranderd”, aldus Wim Claeys. “Ik heb in 2000 Boombal opgestart. Heel kleinschalig, maar het is heel snel een nationaal succes geworden. Het opzet is altijd geweest om dansbare live folkmuziek te brengen. Na dertig jaar pionierswerk wordt de scene nu bevolkt door jonge muzikanten, waar ongelooflijk veel talent tussenzit.”

“Absoluut waar”, zegt ook Peter De Rop, directeur van Muziekmozaïek, het steun- en aanspreekpunt voor iedereen die in Vlaanderen en Brussel met folk en/of jazz bezig en begaan is. “Maar wat je wel merkt, is dat de jonge bands zich minder met het oudere repertoire bezighouden en meer nieuwe songs componeren, weliswaar in de traditie van en met de muzikale structuren van vroeger. Wie een bourree (een Franse verleidingsdans, red.) wil spelen, dient zich te houden aan een structuur. Net hetzelfde geldt voor een Scottish of een wals: dat is in drie, punt. Daarover bestaat geen discussie. Iedereen is het erover eens dat die vernieuwing een zegen is voor de traditie, al denk ik wel dat een aantal traditionalisten het anders zien. Eén van de wegbereiders van het genre, Hubert Boonen, brengt binnenkort trouwens een groot werk uit met honderden melodieën, maar of daar veel uit geput zal worden? Qua inventarisatie is het echt een huzarenstuk. Laten we hopen dat het ook gebruikt wordt.”

Voor we verder gaan, toch misschien eerst een streepje geschiedenis: waar komt die hernieuwde interesse voor die oude volksmuziek eigenlijk vandaan? Als leek heb ik wel gehoord van ’t Kliekske, Kadril, en ken ik de nieuwere folklichting met Ambrozijn, Laïs, Aedo en de Boombalbands, maar het grote verhaal is me onbekend…
Wim: “De muzikanten van ’t KliekskeWilfrid Moonen, Oswald Tahon, Rosita Tahon en Herman Dewit – werden er zich in de jaren zestig van bewust dat de immense schat aan volksmuziek van de generaties voor hen – ouders en grootouders, muziek van voor en na WOI – door een gebrek aan opnamemateriaal dreigde te verdwijnen. Om dat cultureel erfgoed te redden, zijn ze letterlijk met een huifkar de boer op gegaan en zijn ze al die oude muziek beginnen opnemen. Ze streefden er niet enkel naar om de muziek levend te houden, maar wilden ook de oude Vlaamse instrumenten, zoals doedelzak, draailier en accordeon, opnieuw beginnen gebruiken. Weinig mensen beseffen dat de doedelzak een echt Vlaams instrument is, zoals je kan zien op de schilderijen van Pieter Brueghel. Van de oorspronkelijke draailieren was er maar één instrument bewaard! In Wenen, dan nog. Ze zijn het gaan opmeten en hebben het nagebouwd. Daarnaast hebben ze talloze andere instrumenten van de vergetelheid gered: hommel, doedelzak, rommelpot, blazevere, bultkarkas, klompviool, vlierefluit … Je mag dus wel stellen dat zij die oude traditie door middel van liedjesarchivering en instrumentenarcheologie van de ondergang hebben gered. In elke provincie had je wel iemand die het land in trok om oude muziek te verzamelen: in Vlaanderen Roger Hessel, in Brabant Wim Bosmans en Hubert Boonen … maar ’t Kliekske had wel een magneetfunctie. De tweede folkgolf heeft daar heel veel aan gehad.”

Zonder ’t Kliekske geen nieuwe folkbeweging?
Wim: “Misschien wel, ja. Zij hebben in Gooik ook de folkweek op poten gezet, waar geïnteresseerden konden langskomen om eens een les te volgen. En dat is uitgemond in een folkstage, die nu nog altijd een enorm succes kent. Je zal in Vlaanderen geen – of zeer weinig – nieuwe folkgroepen zien die niets te maken hebben met de stage in Gooik: Laïs, Ambrozijn, Kadril, Aedo … de muzikanten hebben elkaar daar allemaal ontmoet.”

Peter: “Muziekmozaïek is ontstaan vanuit de stages in Gooik. Daar komt toch jaarlijkse een 400 man op af. En het is nog steeds een kweekvijver voor jong talent. Inmiddels bieden een aantal muziekacademies in Vlaanderen ook folk aan, zoals Ieper, Sint-Niklaas, Gent en Gooik, en er is ook vraag vanuit Brugge en Genk. In de toekomst zou elke muziekschool folklessen moeten aanbieden. We zitten niet langer in een experimentele fase en evolueren naar een situatie die we ook in de rest van Europa zien: folk wordt echt een waardig muziekgenre, naast pop, rock en jazz.”

Zoals d’oude mensen zongen

Wim, jij maakt deel uit van die tweede folkgolf. In hoeverre putten jullie nog inspiratie uit die oude traditie?
Wim: “Met Ambrozijn deden we dat veel. We hadden vooral zin om die oude nummers te herwerken. Ik vind het heel belangrijk dat de nieuwe generatie de oude liedjes afstoft, omdat het essentieel is voor de overleving van de klassiekers. Met Ambrozijn zijn we verder geëvolueerd naar eigen, meer poppy nummers. Ik heb daar vroeger veel discussies over gehad met conservatieve traditionele folkies die het niet vonden kunnen dat wij zo vrij omsprongen met wat er bestond. Maar zoals ik al zei, hoe moderner een traditie, hoe meer succes ze zal hebben. Onze generatie en de generaties die komen drukken hun stempel, omdat ze gebruik maken van nieuwe instrumenten, kruisbestuivingen met andere genres zoeken, en zo meer. Je kan en mag dat niet tegenhouden.”

Dat is ook de meteen de mening van Geert Gombeir, organisator van het Folkfestival Dranouter: “Ik ben ervan overtuigd dat folk veel baat heeft bij de nieuwe ontwikkelingen. Ik begrijp dat mensen het genre willen bewaren, maar dat kan enkel door vernieuwing toe te staan en door invloeden toe te laten. In de jaren zeventig zag je ook al dat er in het genre gezocht werd naar nieuwe invalshoeken en verbreding. Midden jaren negentig had je dat opnieuw: de meisjes van Laïs, Wim Claeys, Tom Theuns, Wouter Vandenabeele … hebben allemaal heel veel betekend voor de folkscene.”

Dat de interesse voor folk elk jaar groter wordt, is een feit. Ook het Folkfestival Dranouter trekt elk jaar meer volk, ook al zijn jullie al jaren geen strikt folkfestival meer. Daan, John Cale, Zita Swoon … kan je bezwaarlijk folk noemen. Daar moet toch kritiek op komen uit de (die hard) folkhoek?
Geert: “Sommige mensen staan heel kritisch tegenover de programmatie van Folkfestival Dranouter. Wij zijn begonnen in 1975 en hebben al die jaren een forum geboden aan de Vlaamse folkartiest, zeker wat die tweede golf betreft. We hebben gefungeerd als informatieplatform voor bands en artiesten. Dat we de laatste tien jaar breder programmeren en groepen als Daan, Zita Swoon, etc. geprogrammeerd hebben, betekent niet dat Folkfestival Dranouter plots een andere weg ingeslagen is, maar wel dat we op die manier veel meer muziekliefhebbers kunnen bedienen en laten kennismaken met rootsmuziek. We programmeren nog altijd een derde pure traditionele folk, maar we gaan wel mee met de tijd. We bieden een programma aan waar iedereen zijn gading vindt, én dat wat puur traditionele folk betreft het beste presenteert wat er te vinden is. Wij kunnen nu bands programmeren die even goed op Pukkelpop terecht kunnen; tien jaar geleden was dat absoluut niet aan de orde. Bands als Fleet Foxes of Bon Iver passen zowel bij ons als op een puur pop/rockfestival. We moeten onze ambities en het mixen van stijlen laten blenden om de traditie te laten verder leven. Dat is onze betrachting, de nieuwe traditie een duwtje in de rug geven. Maar vergis je niet: in andere landen met een oudere en strengere traditie gebeurt dat even goed. In Ierland en Engeland is die nieuwe beweging al langer bezig. Wij zijn toch nog iets behoudsgezinder.”

Werk je door die brede programmatie dan niet mee aan de teloorgang van de traditionals en een stukje echt Vlaams erfgoed?
Geert: “Ik denk dat het andersom is: genres die niet evolueren blijven stilstaan. Nieuwe impulsen helpen een genre vooruit.”

Over nieuwe impulsen gesproken, jullie werken dit jaar samen met 4AD, de club die bekend staat om zijn eigenzinnige programmatie. Hoe passen zij in het folkverhaal?
Geert: “We hebben beslist om onze twee publieken aan elkaar te linken. 4AD wordt voor deze editie club in residence. De laatste jaren heeft de 4AD bands geprogrammeerd die ik ook graag eens op Dranouter zie staan, zoals De Kift. Door hen uit te nodigen, tonen we onze eigenzinnigheid. Al moet ik wel zeggen dat het idee eerst getrakteerd werd op een aantal meewarige blikken. Begrijpelijk, maar een naam als Alela Diane past mijns inziens ook perfect op Folkfestival Dranouter.”

Niet vies van genreverbreding dus. Beschouw jij artiesten als Flip Kowlier en bands als Het Zesde Metaal ook als Vlaamse folk? Zij stralen alleen al door het gebruik van het West-Vlaams een zekere authenticiteit uit …
Geert: “In mijn ogen wel, ja. Akoestische singersongwriting behoort tot dat bredere spectrum. In de ogen van puristen is dat not done, maar als je pakweg in de VS over folk spreekt, dan wordt Neil Young daar ook toe gerekend. Zelfs een Zita Swoon past in dat rijtje rootsmuziek, met raakpunten naar de wereldmuziek.”

BoomBalBelgië – Vet en groovy

“Ik denk dat het tijd wordt voor een volgende Vlaamse folkbeweging”, aldus Geert. “Ik stel vast dat er heel wat gaande is in de folkscene, maar ik zie voorlopig nog geen nieuwe Laïs of Ambrozijn. Het zit voor het moment allemaal nogal gecentreerd rond het dansverhaal – Boombal – waarbij er meer aandacht is voor de dans en minder voor de muziek.”

Peter: “Boombal heeft de folk enorm verbreed. Vroeger werden ongeveer twintig folkbals per jaar georganiseerd, nu kan je vrijwel elke dag van de week ergens je benen gaan uitslaan en genieten van zeer goeie muziek. En aangezien de bals vaak in studentensteden plaatsvinden, wekken ze enorm veel interesse bij jonge mensen. Dat merken we ook bij Muziekmozaïek: terwijl er vroeger op de stages in Gooik maar tien procent jonge mensen afkwamen, zie je er nu veel meer jongeren dan ouderen. De laatste jaren heeft de folkbeweging een grote verjonging doorgemaakt. Het voortbestaan is verzekerd, maar situeert zich mijns inziens meer in de dansmuziek. Er ontstaan nog steeds nieuwe initiatieven, zoals de tune learning sessions, waarbij mensen samenkomen met een docent/muzikant die hen de folkstandards en manieren van uitvoering aanleert. Samen met Wouter Vandenabeele heb ik drie jaar geleden de groep Transpiradansa opgericht, een orkest met 26 muzikanten. Violen, blazers, percussie … We hebben ondertussen al in Gallicië en Zuid-Afrika gespeeld, maar de media hier hebben er weinig interesse voor, me dunkt. We hebben andere middelen nodig om de muziek bij de mensen te krijgen, en daar slagen we wel in.”

Het komt steeds terug: Boombal is hot, maar concentreert zich hoofdzakelijk op live dansmuziek. Bedienen de folkconcerten en Boombal twee totaal verschillende doelgroepen?
Peter: “Neen, helemaal niet. Boombal is niet uitsluitend voor de jonge garde. Je ziet er evengoed vijftigers en zestigers. Boombal is geen soortnaam, hé, maar een merk; het blijft een folkbal. Maar bals voor gepensioneerden zal je niet vinden. (lacht) Op Boombals is iedereen welkom.”

Folk is van alle tijden, maar onze traditie was bijna verdwenen. We hadden het net al even over kruisbestuivingen met andere genres, andere benaderingen, nieuwe impulsen. Is dat niet typisch voor Belgische muzikanten? Dat ze genres durven te doorbreken en een heel duidelijke Belgische stempel op de muziek drukken?
Wim: “Absoluut! Belgische folk nodigt echt uit om te grooven en te swingen. Dat is ook hoe veel buitenlands folkmuzikanten onze traditie zien: dat het allemaal zo vet klinkt, zo Belgisch en groovy. Onze eigenheid valt ten dele te verklaren doordat we ons eeuwenlang hebben moeten aanpassen aan vreemde overheersingen. De Vlaamse folk is enorm beïnvloed door de Franse, vooral uit Bretagne en Centraal-Frankrijk. De laatste vijftien jaar heeft de Zweedse folk ook veel invloed gehad, niet alleen wat de melodieën betreft, maar ook de manier van spelen en benadering. Ons grote voordeel is dat onze traditie niet zo heel erg streng is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Ierse. Aangezien wij tot veertig jaar geleden nauwelijks nog iets liggen hadden, zitten we niet vast aan liederen die al eeuwen meegaan en kunnen we losser omspringen met het bestaande œuvre. Een heel groot voordeel.”

Even over naar het instrumentarium. Wim, jij speelt diatonisch accordeon (zonder klavier, maar met knoppen, red.). Vanwaar die keuze?
Wim: “Dat is heel spontaan gebeurd. Het is pas na jaren spelen dat ik me de vraag gesteld heb of ik toch niet beter klassiek accordeon gestudeerd had. Ik heb niet het gevoel dat ik kunnen kiezen heb, maar goed. Trouwens, de ‘trekzak’ kent hier een ongelooflijk succes, wat ze zelfs opmerken in het buitenland. Onlangs heeft een trekzakspeelster, Anne Niepold, de Toots Thielemansprijs in de wacht gesleept. Ook Didier Laloy, die bij Urban Trad speelt, is één van die grote namen. Het instrument kent een enorme opmars.”

Over Urban Trad gesproken: toen zij meedongen naar een stek in het Eurovisiesongfestival was er heel wat te doen rond de vermeende banden van Soetkin Collier met extreemrechts. Ondertussen is daar lang geen sprake meer van, maar folkmuziek heeft altijd wel een Vlaamsgezind kantje gehad, me dunkt.
Wim: “De laatste jaren is die perceptie toch fel verminderd. Er is geen extreemrechtse connotatie, al begrijp ik wel dat je snel in dat vaarwater terechtkomt. Je hoeft er maar de termen Vlaams, authentiek en traditie samen te voegen en je krijgt al de stempel van té Vlaamsgezind bezig te zijn. Met Boombal zijn we vanmeetafaan altijd zeer open en multicultureel bezig geweest. Waarmee we dat gegeven meteen gecounterd hebben. En wat Soetkin betreft: dat was fel overdreven. Ze is afgerekend op iets waar ze totaal niets mee te maken had. Ondertussen zijn die plooien wel wat gladgestreken.”

Welk instrument raad jij beginnende accordeonisten aan?
Wim: “Een basisinstrument in sol do, omdat 90 procent van het repertoire wereldwijd met dat instrument gespeeld kan worden. Ikzelf geef een cursus van negen jaar, waarvan de eerste twee op het basisinstrument gegeven wordt. De drie laatste jaren kiezen we voor een instrument dat meer kan, een chromatisch instrument. Qua merken is Castagnare de absolute top, of Gaillard. Op zo’n instrument moet je wel vijf jaar wachten, omdat het allemaal handwerk is. En het kost toch rond de 5.000 euro. Maar voor een instapmodel ben je met 800 euro ook al geholpen.”

Wim Claeys: “Onze generatie en de generaties die komen drukken hun stempel, omdat ze gebruik maken van nieuwe instrumenten, kruisbestuivingen met andere genres zoeken, en zo meer. Je kan en mag dat niet tegenhouden.”