Dijf-Sanders-KBL3

Dijf Sanders

“Zeggen dat een lampenversterker beter is dan een transistorversterker slaat nergens op. Dat is hetzelfde als beweren dat blauw beter is dan geel.”

Polsend naar de gearslut in Dijf Sanders, antwoordt de muzikant-producer dat hij zijn materiaal intussen té goed kent. “Vergelijk het met een relatie die al tien jaar standhoudt: je moet al serieus wat moeite doen om het vuur brandende te houden. Hetzelfde heb ik met mijn gear. I love it, maar het inspireert me niet voldoende als startpunt. De emotioneel geladen eerste laag dien ik elders te vinden. Daarom ga ik naar gebieden waar ik niets van af weet.” Indonesië, bijvoorbeeld, waar zijn meest recente studio-album ‘Java’ ontstond. Of Eritrea en Nepal, twee landen die Dijf in functie van zijn volgende releases bezoekt als een fly on the wall, gewapend met een field recorder.

“Is er een classic Dijf Sanders-instrument dat al jaren meegaat? Een Spaanse gitaar die ik ooit voor 20.000 Belgische frank (500 euro, red.) heb gekocht. Echt een topgitaar, die alle kampvuren heeft meegemaakt. Intussen is die gitaar stevig toegetakeld, met alle nostalgie die daarmee gepaard gaat. We hebben er altijd gebruik van gemaakt op de platen van The Violent Husbands. Het is een gitaar met ritsel, genoeg warme punch en veel karakter.”

“Voor mijn eigen albums gebruik ik nooit gitaren. Wel veel synths. Mijn favoriete synth is een gemodificeerde Ensoniq ESQ-1. Gewoon omdat die fantastisch warm klinkt. Het is een digitale wave synthesizer met een analoge filter. Een gritty jaren tachtig horror soundtrack machine, zeg maar.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

“Als ik een synth koop, check ik altijd eerst in hoeverre ik die kan modificeren. Dat vind ik cool. In het geval van een Yamaha DX7 krijg je dan een epische synth met een extra touch waar anders geen sprake van zou zijn. Mijn Sequential Circuits Prophet 600 is ook gemodificeerd. ‘Java’ is quasi volledig opgenomen met mijn Philicorda 752. Voor creamy shit gebruik ik een Roland SH2000, een mono synth. En zijn cloonbroertje van Multivox: de MX2000. Basically hetzelfde maar dan met een extra oscillator die je kan detunen. Wat cool is, maar verschrikkelijk onbetrouwbaar.”

“Ik gebruik voornamelijk hardware. Software als Ableton en Soundtoys schakel ik enkel in voor filters. Geen enkele producer werkt nog zonder Soundtoys; het is de klasbak onder de plug-ins. Soundtoys heeft slechts een stuk of tien plug-ins – meer heb je er ook niet nodig. Ik ben zeker niet iemand die alle plug-ins downloadt of kraakt. Plug-ins zijn in het proces vooral belangrijk voor kleuring en de nodige grit. Ik heb een hekel aan te cleane producties. Muziek moet leven en wat vuil zijn.”

“Als ik speel, doe ik dat sowieso zonder MIDI. Ik doe het allemaal live. Nadien edit ik wel heel veel. Effecten programmeren doe ik dan ook liever in the box. Ik heb enkele hardware effecten waar ik aan verknocht ben: de EVENTIDE stompboxes, de space en de time factor en voor de corky shit de pitch factor.”

“Een sample van Native Instruments voelt voor mij aan als vakantiefoto’s bekijken van iemand die ik niet ken. Ik heb daar niets mee, het raakt me niet.”

“Ik heb hoe langer hoe meer genoeg van mijn computer. Ik hou enorm veel van mijn beperkingen. Slechts enkele synths, hands-on: dat inspireert me mateloos. Ik grijp vaak terug naar mijn classics. Ik weet wat ik eraan heb. Ik ken de sounds van die machines. Terwijl: plug-ins zijn vaak te schoon vuil. Misschien ligt het aan mijn lofi snobisme, dat kan ook wel. Ik zoek vaak naar grit, noise en dat donkere kantje van klank. Al ben ik geen gear nutter. Je kiest altijd een kleur in functie van het doel waarvoor je het wil gebruiken. Zeggen dat een lampenversterker beter is dan een transistorversterker slaat nergens op. Dat is hetzelfde als beweren dat blauw beter is dan geel. Bullshit. Alles is gewoon een methode.”

“Merk ik een evolutie in mijn producties? In eerste instantie ben ik begonnen met een 4-track, 1 micro en een Casio SA2. Daarna ben ik muziek beginnen maken via een muziekprogramma op Playstation 1. Zo ben ik verknocht geraakt aan sequencers. Wat later heb ik een Atari 1024 gekocht en Cubase voor MIDI. De eerste hardware die ik destijds kocht, was een Akai S1000 sampler. Op een bepaald punt ben ik overgeschakeld naar Reason. Met dat programma heb ik mijn eerste platen opgenomen. Je kon er iets gemakkelijker mee samplen. Met Reason kon je geen audio opnemen. Er zaten alleen synths en samples in. Met Cubase kon ik wel Reason rewiren om zo audio op te nemen. Vervolgens ben ik overgeschakeld op Ableton, waar ik nog altijd mee creëer, mix en produce. En dan ben ik stilletjes aan mijn hardware beginnen uitbreiden. Redelijk selectief.”

“Ik ben ergens wel een gearhead. Vooraleer ik een instrument koop, heb ik de manual zeker al twee keer gelezen. Dankzij de handleiding weet je: what the fuck, dat kan je er ook mee doen. De manual unlockt alle hidden secrets. Als ik een machine koop, wil ik dat die leeft, dat er een community achter zit. Ik heb ooit een Dave Smith Tempest drumcomputer gekocht – een vreselijke machine vol met bugs. Je merkte dat de community er niets mee deed. De engineers hadden het gewoon als as-is verkocht en dan weet je: het wordt niet beter dan dit. Maar als een bak veel updates kent en andere mensen er software voor beginnen te schrijven, dan krijgt een machine een extra leven. Zoals de AKAI MPC1000, een drumcomputer waar ik live mee speel. Ik neem nooit computers mee op het podium. Ik vertrouw alleen hardware. De MPC1000 is mijn sequencer machine waarmee ik alles kan aansturen dankzij een third party engineer die er software voor heeft geschreven. Op een manier gebruik ik een heel omslachtige Ableton in een MPC met heel weinig geheugen, maar dat is de max. Die beperking maakt je sterker en creatiever.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

“Micro’s zijn nu zo’n beetje mijn instrumenten geworden. De AKG C414, het werkpaard bij uitstek in een studio, gebruik ik eigenlijk het minst. Die micro is precies te goed en te normaal. Voor mijn field recordings maak ik gebruik van een Sennheiser MKH40, voor vocals een Woodpecker Blue. Ik heb ook een MD21, een oude reportermicro die zowel ouderwets vol als crispy klinkt. Heel tof om te gebruiken. Wat ik ook vaak doe, is modulaire micro’s kopen en de bodies gebruiken om er alternatieve capsules op te zetten.”

“Mijn digitale 8-sporen field recorder, een Zoom F8, is mijn meest recente sound engine die erbij is gekomen. Die had ik ook mee naar Indonesië, en hij gaat mee op mijn toekomstige reizen naar Nepal en Eritrea.”

“Synths wil ik me op voorhand geheel eigen maken door de handleiding te lezen. Met field recordings wil ik net het tegenovergestelde doen. De field recordings bepalen de sfeer. Daarmee leg ik de mozaïek. De field recordings bepalen het grondgebied waar ik op ga bouwen. De kleur is heel dwingend voor me. Op basis van de grondkleur kies ik nadien de instrumenten die ik thuis gebruik om de productie af te werken. Ik vind het aangenaam om een instrument in te schakelen dat niet voorkomt in het land dat ik heb bezocht maar dat qua kleur wel matcht. Voor ‘Java’ heb ik eerst naar een sound gezocht met mijn Ensoniq ESQ-1 maar dat bleek niet te werken. Als laatste synth in de rij heb ik de Philicorda geprobeerd en dat bleek de juiste match te zijn. Een Philicorda is Benelux pur sang. Je vindt die synth niet in Indonesië. Maar dat doet er niet toe.”

“Ik start echt op kinderniveau: niet nadenken, wat prutsen, zaken connecteren, en zorgen dat ik alles opgenomen heb.”

“De grootste truc is je mind die zegt: die sample is absurd genoeg om een aparte wereld mee te creëren. Die fundering gebruik je. Ik werk niet verder op iets waar ik geen ziel in hoor. Dat eerste blokje: dat is het DNA, dat moet inspireren. Bij samples moet ik een gevoel van nostalgie hebben. En dat heb ik enkel als ik zelf ergens ter plekke ben geweest. Een sample van Native Instruments voelt voor mij aan als vakantiefoto’s bekijken van iemand die ik niet ken. Ik heb daar niets mee, het raakt me niet. De crappy polaroid van mijn eigen reis bevat daarentegen de hele sfeer. Dat is voor mij de essentie van samples: het startpunt van de emotionele constructie van klank.”

“Ik maak soms wel eens gebruik van een Omnisphere 2. Een super cinematografisch werkpaard dat ik iedereen kan aanraden die op zoek is naar coole sounds. Handig om een toets mee te leggen. Maar ik spring er spaarzaam mee om. Ten tijde van mijn album ‘Moonlit Planetarium’ dacht iemand dat ik mijn ganse plaat met Omnisphere had opgenomen. Maar dat was dus allerminst het geval. Ik maak van nature etnische stuff en heel bewerkte spacy, psychedelische, weirde shit. Vandaar de verwarring.”

“Ik heb geen vaste methodiek. Alles dat me inspireert, kan de basis vormen van een sample. Het doet er niet toe. In het begin draait het puur om sfeer. Ik ga aan de slag met een sample van eender wat tot ik er een emotionele connectie mee heb. Ik ben nogal loop-based. Als ik een idee heb, begin ik direct op te nemen, wat er soms voor zorgt dat ik vast kom te zitten in een loop. Dan moet ik moduleren en editen om het interessant te houden en een natuurlijke feel in de muziek te krijgen. Dat is het moeilijkste. Ik zou meer geduld moeten hebben en verder bouwen op een riff, stukken bij schrijven en in één keer opnemen zodra alles goed zit. Maar zo werk ik niet. Mijn producties zijn nooit echt strak. It’s out there.

© Koen Bauters
© Koen Bauters

“Soms weet ik niet wat ik aan het doen ben. Ik werk nooit met voorbedachten rade. Ik start echt op kinderniveau: niet nadenken, wat prutsen, zaken connecteren, en zorgen dat ik alles opgenomen heb. Omwille van die werkwijze kan ik niet gemakkelijk iets recallen dat verkeerd is opgenomen. Dan ga ik dat gewoon proberen te maskeren in plaats van opnieuw op te nemen, want zo zou het zijn oorspronkelijke touch verliezen. Alle orgelpartijen op ‘Java’ zijn bijvoorbeeld opgeknipte improvisaties. Live moet ik die dan opnieuw leren spelen.”

“Eens alles is opgenomen, is er wel sprake van regie in de mix. Dan zorg ik dat mijn ganse bouwpakket erin zit in functie van de post-productie. Editen en finetunen neemt veel tijd in beslag. Ik mix alles in the box. Ik maak digitale groepen en stuur die door de geluidskaart naar een lampensummer. De mixen blijven digitaal maar op die manier ontstaat er warmte, diepte en een soort analoge tafelsound. Ik werk nog maar sinds kort op die manier. Ik heb me onlangs een Fat Bustard van Thermionic Culture aangeschaft: een analoge lampensummer met 14 kanalen. Een dure maar weloverwogen aankoop waar ik heel tevreden over ben. Als je in the box mixt, duurt het veel langer om diepte te creëren. In the box klinkt alles als de bovenkant van gaffa. Alles buiten de box is precies meer velcro: kleine tentakels die aan andere elementen klitten. Een computer genereert geen ruis, maar stilte bestaat niet in de echte wereld. Dat is hetzelfde als dood zijn. Heel creepy. Als er veel stilte is omdat ik bijvoorbeeld met softsynths werk, dan creëer ik ruis om toe te voegen aan de productie. Dat mixt ook toffer. Field recordings hebben sowieso die natuurlijke ruis. Om die reden verzamel ik ook verschillende exotische shakers. De ritmische ruis van shakers voegt heel veel white noise toe op het juiste moment.”

“De laatste tijd verzamel ik ook fluiten. Ik ken een fluitenbouwer in Gent; ik heb bij hem een Moldavische kaval gekocht vervaardigd uit hout van de Blaarmeersen. Daar ben ik nu op aan het leren spelen. Ik heb ook een hulusi in huis: een Chinese fluit die gemaakt is van de noot van een pistache. Niet dat ik er gebruik van ga maken voor mijn producties maar het is leuk om ermee bezig te zijn. Ik hou wel van toys. Zo heb ik onlangs samen met Micha Volders (Meteor Musik, Chrome Brulée, Vermin Twins, red.) nog een Gameboyset gedraaid.” 

dijfsanders.bandcamp.com