JeroenCamerlynck-41Head

De Brusselse scene

Eilandontginning in de grootstad

Brussel. Hoofdstad van België. Hoofdstad van Europa. Een stad die bruist. Elke dag van de week kan je er je culturele noden ledigen, je laven aan talloze tentoonstellingen, concerten, boekvoorstellingen, theaterstukken … Het spreekt voor zich dat er in Brussel ook een levendige muziekscene is, net zoals in Gent, Antwerpen, Hasselt of Kortrijk. Poppunt legde zichzelf de taak op om de Brusselse muziekscene in kaart te brengen. Makkelijk zat, dachten we, maar niets is minder waar. Na gesprekken met een aantal mensen die het kunnen weten is er maar één grote conclusie: hoe wereldlijk en divers het culturele aanbod in Brussel ook mag zijn, een wel gedefinieerde pop- en rockscene is er niet. Eilandjes, her en der verspreid over de stad, dat wel, maar geen muziekcafés of -clubs pur sang, waar bandjes elke week weer hun muzikale demonen kunnen geselen. Vreemd, toch. Dat vraagt om wat duiding.

Brussels by night. Een grootstad met een fijnmazig netwerk van cafés, brasserieën, eethuizen, restaurants, concertzalen, clubs en andere afspanningen. Eén miljoen inwoners. Waarvan 100.000 Vlamingen. En tussen die 100.000 Vlamingen zitten een pak jongeren. En tussen die jongeren vind je genoeg volk om meer dan 100 pop- en rockbands mee te vullen. Om maar te zeggen: in Brussel wordt druk gemusiceerd. We kennen allemaal Girls in Hawaii, Kris Dane, Jef Mercelis, Daan, Arno, Sharko, Rumplestitchkin en consorten. Je zou er dus ook meteen van uit gaan dat Brussel een levendige pop- en rockscene kent, maar is dat wel zo?

Het verhaal uit de kruin

“Het Kampioenschap is een Brusselse wedstrijd die volledig gefinancierd wordt met Vlaams geld”, zegt Jeroen Camerlynck, vast lid bij de Brusselse dialectband De Fanfaar en een tijd lang coördinator van de Brusselse jeugdhuizen. Sinds een paar jaar neemt hij de coördinatie van Het Kampioenschap van Brussel voor zijn rekening. Geen sinecure om dat georganiseerd te krijgen, of om er überhaupt bands voor te vinden, zo blijkt. “Een moeilijk verhaal, omdat je in de eerste plaats al te maken hebt met het communautaire gegeven: willen we niet tekortschieten, dan moet de promotie voor het concours in drie talen gebeuren. Ik denk dat wij dubbel zo hard ons best moeten doen om de helft zoveel inschrijvingen te halen als de andere concours. Ook al omdat het zelfs voor ons niet echt duidelijk is waar de muzikanten in Brussel zitten: je zou de bands kunnen gaan zoeken in hun repetitiekoten, maar dat gaat niet om de eenvoudige reden dat hier nauwelijks repetitiemogelijkheden zijn. In de Brusselse agglomeratie heb je wel veel jeugdhuizen die overstelpt worden met demo’s, maar ook daar komen niet alle bands aan spelen toe. In 1000 Brussel is de situatie echt schrijnend: er bestaat geen muziekcafécircuit die naam waardig.”

picture2
Thomas De Vos © Koen Bauters

Toch wel een beetje een vreemde en voor een niet-Brusselaar een onbegrijpelijke situatie, want de stad kan toch buigen op een goeie reputatie inzake concertaanbod: AB, Recyclart, Botanique, VK*, Beursschouwburg … doen heel goeie dingen. De kleinere zalen zoals Magasin 4 – de club moest recent de deuren sluiten maar was 15 jaar lang sterkhouder in de alternatieve scene – en Café DNA programmeren hoofdzakelijk nichebands, maar voor pop en rock? Close, but no cigar. De realiteit ziet er niet goed uit voor bands die in Brussel hun muziek willen slijten … Geen speelplekken betekent geen exposure, en daar begint toch alles mee.

Jeroen: “Misschien dat anderen er een andere invulling aan geven, maar voor mij is een scene een verzameling bands die elkaar kennen, in dezelfde cafés rondhangen en elkaar tegen het lijf lopen na optredens. Ik heb de indruk dat er hier voor jonge muzikanten niet meteen plekken zijn. Ook niet in de Franstalige gemeenschap, want ik merk dat ook die bands elkaar pas leren kennen op initiatieven zoals Het Kampioenschap van Brussel. Het is wel zo dat er eilandjes bestaan voor elk genre, maar die zijn kleiner dan vroeger. Toen leefde in Brussel vooral hardcore; bands als Deviate en Arkangel waren echt top. Hetzelfde geldt ook voor hiphop, maar nu is dat allemaal nogal versnipperd. Er zit geen lijn meer in.”

Bij Thomas De Vos, zanger-gitarist van de oer-Brusselse band Rumplestitchkin, hoor je een gelijkaardig verhaal. Rumplestitchkin heeft zich van meet af aan geprofileerd als Brusselse band. Een bewuste keuze, omdat de leden allemaal uit Brussel afkomstig zijn, er op school gezeten hebben en er wonen. Brussel doet hun muzikale hart sneller slaan. “Het is een heel vreemd, maar toch ook wel boeiend verhaal. Die tweetaligheid is daar een grote factor in: bands die het goed doen in Wallonië zijn vaak niet bekend in Vlaanderen. Heel weinig groepen geraken die onzichtbare muur over. Zelfs van een band als Girls in Hawaii – toch een Brusselse band bij uitstek – weet ik niet waar ze uithangen. Ik heb wel altijd het gevoel gehad dat er in Brussel wel een uitgesproken jazzcircuit bestaat, waar je als jazz- of free jazzmuzikant makkelijk kan inrollen. Maar wat pop en rock betreft, is het nogal pover gesteld. Hier vind je geen Café Video of Charlatan, zoals in Gent, waar je elke week terecht kan voor een optreden en ook nog eens gelijkgestemde muzikanten ontmoet. Let op, er bestaat wel wat kruisbestuiving, maar ik denk niet dat je je daar heel veel moet bij voorstellen. Je hebt bijvoorbeeld The Ideal Husband, waar Vinz bij speelt, een singer-songwriter. Die heeft ook een link met Sharko. Verder heb je nog Kris Dane, die al jaren bezig is en regelmatig platen uitbrengt, Girls in Hawaii, Kawada (met Joeri Cnapelinckx, red.) … Er gebeurt wel iets, maar het is minder hecht dan elders.

Jeroen Camerlynck:“In 1000 Brussel is de situatie echt schrijnend: er bestaat geen muziekcafécircuit die naam waardig.”

Maar er zijn dus geen cafés waar muzikanten elkaar vinden? Tiens. Tijdens het rondbellen hoorden we toch namen als De Roskam, De Walvis, De Monk, Café L’Union, Café Dada, De Kafka, Café Belga, De Bizon, De Bonnefooi, L’Archiduc, Café Central … en die werden steevast muziekcafés genoemd. “Daar worden wel optredens georganiseerd,” zegt Thomas, “maar dat gaat toch vaak om genremuziek als blues en jazz. Wat pop en rock betreft, is er een opvallende leemte, hoewel er in De Walvis bijvoorbeeld de laatste maanden wel diverser geprogrammeerd wordt en rock, pop en electro meer aan bod komen. Ik vraag me af of grote muziektempels als AB en Botanique daar iets mee te maken hebben. Als je daar terecht kunt voor concerten, waarom dan nog een degelijk cafécircuit uit de grond stampen? In het VUB Kultuurkaffee wordt anders en goed geprogrammeerd, maar ook dat kan je bezwaarlijk een echt café noemen.”

Dat Brussel tweetalig is, zou wel kunnen beteken dat Brusselse bands makkelijker de grens met Wallonië over geraken.
Jeroen: “Niet meteen. Anderzijds zien we wel dat Franstalige bands via het Kampioenschap en 100% Puur een ingang vinden om concerten te spelen in Vlaanderen. Maar de Walen focussen voor hun bands hoofdzakelijk op Wallonië. De Vlaamse musicerende Brusselaar komt daar niet makkelijker aan spelen toe omdat hij toevallig in Brussel woont. Ik stel het misschien wat pessimistisch voor, maar eigenlijk is die tweetaligheid ook best charmant: de Waalse bands doen altijd erg hard hun best om Nederlands te spreken. Maar goed, het belangrijkste is nog altijd dat bands aandacht krijgen. We willen de plekken waar ze terecht kunnen in kaart brengen, zowel wat speelkansen betreft, als opnamemogelijkheden en repetitiekoten.”

Repetitiekot! Het woord is gevallen. In Gent werd de laatste jaren hemel en aarde bewogen om het schrijnende gebrek aan repetitieruimtes weg te werken. Ondertussen kunnen bands er tegen een kleine vergoeding terecht in goed geëquipeerde studio’s. En in Brussel?

“Wij hebben jarenlang in hartje Brussel een lokaal gehuurd waar we 300 euro per maand voor betaalden”, zegt Jeroen. “We moesten bij wijze van spreken optreden om onze huur te kunnen betalen. Let op, het was een degelijk locatie waar we 24/7 ons ding konden doen, maar 300 euro vonden we te veel van het goede. Voor die centen huur je bij wijze van spreken een kleine studio. Nu repeteren we buiten Brussel.”

“Wij hebben het lang kunnen oplossen door in de kelder bij mijn ouders te spelen”, zegt Thomas. “Nu moeten we naar Sint-Martens-Bodegem, voorbij Dilbeek. Dat is toch een eindje rijden. Maar we hebben er wel iets leuks gevonden. Het grootste probleem voor een groep die constructief wil werken, is dat je vaak één ruimte voor een uur of drie moet huren en dat elk groepslid net op dat moment op zijn creatieve hoogtepunt moet zitten. Dat werkt niet voor iedereen.”

Getuigenis uit de ondergrond

Kunnen we dan echt niet van een Brusselse scene spreken? Dat is wellicht een beetje té kort door de bocht. Dat zegt ook Frans Claus, de man achter Les Ateliers Claus, een werkplek waar muziek en kunst worden samengebracht en waar eens in de maand obscure of minder bekende bands een podium krijgen. De eclectische programmatie trekt mensen van diverse pluimage aan. Claus zelf is één van die zeldzame witte raven die zich niet wil plooien naar de wetten van de commercie maar koppig een eigen koers vaart, vaak tegen alle heersende trends in. “Geen Brusselse muziekscene? Daar ben ik het niet mee eens”, zegt hij. “In Brussel vind je misschien niet meteen dezelfde muziekcafécultuur als elders, maar wees er maar zeker van dat het hier allemaal erg bougeert. Je moet er alleen een beetje harder naar zoeken.”

picture
Frans Claus © Koen Bauters

“Kijk, dat communautair gegeven is er, maar volgens mij moet je daar doorheen durven te kijken. Nederlandstaligen maken met moeite tien procent uit van het Brusselse geheel, en die tien procent maakt daar eigenlijk niet zo veel problemen van. Ik merk dat de sfeer hier steeds Europeser wordt, en dat je hoe langer hoe meer een bonte mengeling krijgt waarin niemand nog weet wie welke taal spreekt. Dat er veel buitenlanders in Brussel rondlopen is een goeie zaak, omdat ze dat interne communautaire gebekvecht neutraliseren. Iemand die uit Barcelona of Berlijn komt, houdt zich daar niet mee bezig, hé. Die zoekt naar de kern van de zaak en komt op de juiste plekken terecht. Daar ligt de basis van een hele nieuwe scene. Het communautaire gehannes is een rem op de ontwikkeling. Net door samenwerking kunnen nieuwe dingen ontstaan.”

Claus graaft al jaren als een mol in de Brusselse en bij uitbreiding Belgische  underground en doet er heel wat ontdekkingen. Om de maand kan je in de Rue Crickx in Sint-Gillis terecht voor wat hij heeft opgedolven: van obscure drum ’n’ bass-bandjes à la Nena’s Polla, tot indie-rock en indietronics type Yuko, Ansatz der Maschine of Eavesdropper.

“Weet je, ik denk dat wij Vlamingen moeten opletten dat we heel de situatie niet te veel van uit ons kleine hoekje bekijken. Dat is een beetje arrogant. Er zijn heel veel zaken die wij niet zien, ook in de Franstalige circuits. Er zijn talloze kleine initiatieven, kleine kruimels waar concerten voor pakweg 25 à 30 man georganiseerd worden. Zo vind je er ook zeker 25 langs Franstalige kant. Als ik aan jonge bands een advies moet geven inzake speelplekken in Brussel, zou ik wel nuanceren: die kleine concertjes speel je meestal niet in de beste omstandigheden. Je kan dat circuit wel aflopen, en je zal er als band ook een tijd mee bezig zijn, maar je mag het effect niet overschatten. Cafébazen vinden altijd wel groepen die bereid zijn om voor een paar pinten te komen optreden, maar of het dat is wat je wil als band? Brussel is een lappendeken: hier zijn heel veel verschillende buurten, heel veel verschillende milieus, met elk een eigen accent. Je hebt de dance-scene, de jazz-scene, wereldmuziek … allemaal met een eigen circuit. En er worden kleine, nieuwe clubjes opgericht, waar heel leuk geprogrammeerd wordt.”

“Als je wil, kan je hier elke dag van de week wel een intiem concertje zien, zij het op plekken met een gezonde dosis anarchie, wat illegaliteit. Maar die leven wel!” (Frans Claus)

Eigenlijk weg van de cafés?
Frans: “Ja. Galerijtjes, huiskamerconcerten bij mensen thuis … dat zijn de plekken waar mensen op af komen die echt geïnteresseerd zijn. Als je wil, kan je hier elke dag van de week wel een intiem concertje zien, zij het op plekken met een gezonde dosis anarchie, wat illegaliteit. Maar die leven wel! De middenstandersgeest van de Vlaming is er nog niet doorgedrongen: het hoeft niet allemaal meteen te werken. Er heerst nog rock-’n-roll en een laissez-faire-mentaliteit. Er gebeurt al es iets onverwachts, maar dat maakt het net boeiend. Mijn Gentse vrienden waarschuwen me dat ik mijn broek zal scheuren aan Les Ateliers Claus, maar who cares? We zien wel wat er gebeurt. En als we dan toch fouten maken, likken we achteraf onze wonden wel. Het hoeft niet allemaal zo ‘af’ te zijn.”

“Ik krijg heel veel aanvragen van bands, maar ik kan ze niet allemaal plaatsen. Hoe meer plekken, hoe meer kansen. Vandaar dat Les Ateliers Claus ook een doorgeefluik moet worden. Ik ben bijvoorbeeld hard aan het werk om contacten te leggen in Wallonië, om bands als Madensuyu of Falling Man een duw in de rug te geven. Er moet dringend werk gemaakt worden van een netwerk. We mogen ons niet louter concentreren op Brussel.”

Le Sound de Brussel

Als we niet van een Brusselse scene pur sang kunnen spreken, dan ook niet over een typisch Brusselse sound. Of toch?
Frans: “Ik denk het wel. Kijk, ik heb voor Theater Aan Zee 2009 aan Arno, de curator, een productie voorgesteld: een Brusselse revue in de stijl van Tom Waits, Kurt Weill en Bertold Brecht. Ik heb drie Brusselse bands laten samensmelten die volgens mij een echte Brusselse sound hebben: Funk Sinatra, Black Light Orchestra en Matthieu H met zijn orkest. Geen van die drie zijn puur Belgisch: ze worden bevolkt door een Vietnamees, een Fransman, een Schot … Het leunt meer aan tegen een Oost-Europees, Duits, Brits cabaret … Heel Europees, maar wel ontstaan in Brussel, met zijn rijke klassieke geschiedenis. Caféopera, dat is de term die ik er op wil kleven. Typisch Brussels, maar schatplichtig aan wat Lou Reed, Gavin Friday en Marianne Faithfull doen.”

“Het grootste probleem is dat je een repetitieruimte voor een uur of drie moet huren en dat elk groepslid net op dat moment op zijn creatieve hoogtepunt moet zitten. Dat werkt niet voor iedereen.” (Thomas De Vos)

“Als je wil, kan je hier elke dag van de week wel een intiem concertje zien, zij het op plekken met een gezonde dosis anarchie, wat illegaliteit. Maar die leven wel!” (Frans Claus)