dossier

Dappere Belgen vs. de ‘moeilijke’ tweede

Wie kent het patroon niet? Veelbelovende jonge band met verpletterend debuut. Breed aangekondigde opvolger. Reikhalzend uitkijkende fans. Torenhoge verwachtingen in de pers. In kracht en intensiteit toenemende druk. En … die langverwachte tweede plaat blijkt een gigantische sof! 

‘Second Coming’ van The Stone Roses. ‘Room On Fire’ van The Strokes. ‘You Could Have It So Much Better’ van Franz Ferdinand – het zijn schoolvoorbeelden van wat ze over de plas ‘sophomore slumps’ noemen. Of in iets lokaler journalistenjargon: ‘de moeilijke tweede’.

Hoe doen wij dappere Belgen dat: een opvolger bedenken van een gesmaakt debuut? Kloppen de clichés die de Britse muziekpers ons over ‘de moeilijke tweede’ op de mouw speldt? En hoe kunnen bands die nú debuteren mogelijke valkuilen in de toekomst omzeilen?

Poppunt trekt op onderzoek en vraagt tips aan drie artiesten die momenteel hoge toppen scheren met hun tweede plaat: Douglas Firs, Marco Z en Bed Rugs – vlak voor ze ten prooi vallen aan de nóg moeilijkere derde.

Douglas Firs

Gertjan! Heb je last van een writer’s block gehad?
Gertjan (frontman en songwriter): “Nee, eigenlijk niet. Heel even – net na de eerste plaat ‘Shimmer & Glow’ – is het door mijn hoofd geschoten: hoe moet het nu verder? Maar eigenlijk ging alles deze keer vlotter. Onze remedie tegen het tweedeplaatsyndroom was: zo veel mogelijk avonturen beleven. Ik heb met Sem (zijn broer en bandlid, red.) een tourtje gedaan door Zwitserland, ben met Bony King onderweg geweest … Allemaal heel bescheiden, maar daardoor maak je iets mee. En dat levert songmateriaal op. Daardoor is onze tweede, ‘The Long Answer Is No’, samenhangender dan de eerste: de onderwerpen hangen veel dichter bij elkaar.”

“Bovendien wist ik nu veel beter wat ik wou. Jasper Maekelberg was opnameassistent bij de eerste. Het was logisch dat hij de tweede zou opnemen. Maar ik wou bijvoorbeeld wel in zee gaan met iemand anders voor de mix: ik was op zoek naar een niet te Belgisch geluid en wou het geheel een beetje edge geven. Daarom heb ik contact opgenomen met Tom Schick: wij zijn megafan van zijn werk met The Little Willies en Amos Lee. En ook dat liep op wieltjes: een paar weken later had Schick tijd, de Wilcostudio in Chicago was vrij en, hop, ik zat al op het vliegtuig met mijn files.”

Riskeer je geen verlies van controle door er iemand bij te betrekken die je voorheen niet hebt ontmoet?Gertjan: “’t Is heel logisch om de opname en mix door dezelfde mens te laten doen – daar is absoluut niks mis mee. Maar Tom Schick zit exact op dezelfde golflengte als ons, en zijn eigen ideeën en ervaring bleken een enorme verrijking. Ik ben in Chicago aangekomen, heb me in de zetel geploft en heb mijn oren laten verwennen door zijn magie!”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Wat zijn de veranderingen ten opzichte van je eerste plaat?
Gertjan: “Vooral de omkadering moest zich nog wat settelen: de boeker is onderweg veranderd, ik kwam bij een management terecht. De eerste plaat was uitgebracht in eigen beheer, met verschillende distributeurs voor België en Nederland. Nu zitten we bij Excelsior. Dat was ook het goeie aan de tweede: van in het begin was duidelijk welke mensen erop gingen werken.”

Zijn er tweede platen van andere groepen die jou na aan het hart liggen?
Gertjan: “Een tweede plaat lijkt me meestal wel een goeie plaat, ja. Je hebt het allemaal al eens meegemaakt: de eerste keer in de studio, de eerste twijfel. Eigenlijk zou je zo moeten debuteren: massa’s nummers schrijven, plaat opnemen, eerste opnames weggooien. En een maand later wéér een plaat opnemen, en dié breng je uit als debuut.”

Ben je nooit beginnen te zweven door de stoet complimenten die je al hebt mogen ontvangen – één van de mogelijke valkuilen bij debutanten?
Gertjan: “Neal Casal vond mijn eerste goed! Lofzang van één van mijn grootste helden: dat kan tellen, denk ik. Verder zijn de reacties van het publiek en de pers tot nu toe ook altijd positief geweest. Maar dat is zo vluchtig … Muziek maak je niet om door iemand beoordeeld te worden, maar omdat het vanbinnen jeukt: een plaat is geen examen, hé. Ik heb me altijd voorgenomen om immuun te zijn voor lof én kritiek, wat totaal niet lukt. Maar ik probeer wel te onthouden: muziek, dat maak je voor jezelf. ‘The Long Answer Is No’ is exact geworden wat ik wou en daar blijf ik aan vasthouden.”

“Muziek maak je niet om door iemand beoordeeld te worden, maar omdat het vanbinnen jeukt: een plaat is geen examen, hé.”

Is dat jouw manier om met de voeten op de grond te blijven?
Gertjan: “Muzikanten reageren vaak hypocriet op recensies over zichzelf. Als journalisten je vergelijken met Neil Young denk je: ‘wauw, megacool!’ Maar bij negatieve recensies denk je: ‘ze snappen me niet.’ Ik lees die recensies natuurlijk wel, en ik ben heel blij met alle positieve commentaar. Maar ik probeer toch te onthouden: ‘het is máár een recensie.’”

“De sociale media zijn op dat vlak een grotere valkuil, voor mij althans: de eerste weken of maanden na een release hou ik dat scherp in de gaten. Dat is allemaal heel spannend. Maar er zit geen romantiek in Facebook en Twitter. Dan denk ik: zou ik mijn tijd niet beter aan iets creatiefs besteden, in plaats van een nieuwe Facebook-banner te ontwerpen?”

“Gisteren ben ik iedereen gaan ontvolgen: mijn timefeed is nu bijna helemaal leeg. Dat zorgt voor rust in mijn hoofd, en ruimte om inspiratie op te doen en nieuwe nummers te maken.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Wat zijn andere valkuilen die artiesten in de creatieve woestijn kunnen storten?
Gertjan: “De grootste valkuil lijkt mij druk van bovenaf: als de muze je in de steek laat, is het absoluut niet verkeerd om te wachten! Boekers, management … ze hebben hun eigen timing en willen om de twee jaar op een nieuwe release werken. Maar vergeet niet: die mensen werken voor jou, en voor jouw liedjes. Dus als jij niet tevreden bent, moeten zij ook maar wachten. Zolang je zélf fan blijft van wat je maakt, kan er heel weinig mislopen. Tenzij er echt niémand naar je shows komt, natuurlijk …”

“Mijn droomparcours is dat van Wilco: een band die een reputatie heeft opgebouwd zonder een beroemde signature song. Op die manier kan je langzaamaan groeien: niet met één nummer, maar met een pakket nummers.”

Zegt het je dan niks om eens een grote hit te scoren?
Gertjan: “Jawel, maar – als je dan toch hypothetisch bezig bent – wél op voorwaarde dat die hit exact toont waarvoor je staat. Dat ligt bij een band als Amatorski wat moeilijk, denk ik. Omdat zij intussen iets helemaal anders doen ‘Come Home’, waarmee het grote publiek hen leerde kennen.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Voel je druk of verwachtingen?
Gertjan: “Dat zijn dingen die mijn gedachten niet kruisen. De tweede plaat was het relaas van mijn reis met vrienden, en de dingen die mij zijn overkomen: bij het schrijven heb ik nooit aan een publiek of aan verwachtingen gedacht.”

In the end mogen we dus stellen: jouw tweede worp liep – en loopt nog steeds – op rozen?
Gertjan: “Ja, ik denk dat wij een geluksparcours hebben gehad en tot nu toe blijft alles in stijgende lijn gaan. Er kunnen natuurlijk altijd obstakels opduiken: bij de eerste plaat lag de studio vast toen er plots een tour van Amatorski kwam tussen gefietst en onze vaste drummer Christophe (Claeys, red.) moest afhaken. Maar zulke problemen zijn er nu niet geweest. De nummers waren snel geschreven en iedereen zat op de plek waar hij moest zitten: Christophe weer achter de drums, Simon (Casier, red.) op bas en Sem op toetsen, Jasper in de studio en Tom Schick als mixer in Amerika. Het is bijna melig hoe gesmeerd alles is verlopen. Dan wordt de derde mijn moeilijke plaat, zeker? (lacht)

douglasfirs.be

Marco Z

Marco, heb jij hard geworsteld met je tweede plaat?
Marco Zanetton: “Niet met de opnames zelf, maar wél om zo ver te geraken. ‘I’m A Bird’ (zijn radiohit uit debuut ‘The Ordinary Life of Marco Z’, red.) had ik zelf bekostigd, opgenomen en afgewerkt. Ook de clip was van eigen makelij. Pas toen het nummer al op de radio speelde, werd ik getekend door een platenfirma. Die platenfirma moest zich nu buigen over een eventuele investering op basis van mijn nieuwe demo’s. Dat zijn van die typische meetings met platenfirma’s: je hebt te maken met businessmensen die in de eerste plaats een investering zo snel mogelijk moeten terugverdienen. Uiteindelijk bleken ze niet genoeg vertrouwen te hebben in het materiaal.”

“Vanaf dat moment is alles wel redelijk vlot gegaan: ik heb de zaken weer in eigen handen genomen, ben met de juiste mensen in zee gegaan, en heb alles met eigen middelen bekostigd. Die periode heeft alleen een beetje té lang aangesleept: tijd die ik beter had kunnen spenderen. Maar zo gaan die dingen nu eenmaal.”

Heb je spijt dat je met hen in zee bent gegaan?
Marco: “Nee, je mag nooit spijt hebben, tenzij je een vreselijke misdaad hebt begaan. (lacht) Het is nuttig gebleken om met die grote platenfirma samen te werken: op een bepaald moment hadden zij mij nodig, en ik had hen nodig. Met hun investering hebben ze mij gelanceerd, en naar een groter publiek gebracht. Dat heeft me sowieso in staat gesteld om deze tweede plaat te maken.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Met welk gevoel ben je aan die tweede plaat beginnen te schrijven?
Marco: “Met een enorm gevoel van vrijheid. Ik was vlot nummers aan het schrijven en na verloop van tijd bouwt er zich vanzelf een artistieke visie op: productioneel, op vlak van songs en inhoudelijk-tekstueel. En zo is het uiteindelijk een dubbelplaat geworden: een duidelijk afgerond geheel met een duidelijke artistieke lijn. Daar hou ik wel van.”

“Met de eerste plaat was ik nog op zoek: ik zat tegelijk in een indierockband, een motown soulband, een countryband … Allemaal fijne afgewerkte outfits. Maar het werd een schizofreen muzikaal bestaan en ik wou geen tweede Mauro Pawlowski, Pascal Deweze of Tim Vanhamel worden – die allemaal fantastisch zijn en waarmee ik me op geen enkele manier wil vergelijken! Maar voor mij werkt het beter om met één ding naar buiten te komen, iets waar heel eenduidig mijn naam op plakt. Dat was de zoektocht op de eerste plaat. Nu heb ik mijn eigen stem duidelijker gevonden.”

Aan een debuut, zegt men, kan je een leven lang werken. Voor een tweede plaat krijg je één à twee jaar. Herken je dat?
Marco: “Dat cliché is vooral gangbaar in de Engelstalige pers, denk ik. En ik weet niet of dat helemaal opgaat voor een tweede plaat. Ken je Billy Bragg? Zijn derde heeft als ondertitel letterlijk ‘the difficult third album’.”

“Maar de bron droogt bij de meesten ooit op, denk ik. Plots vloeien de songs minder vlot, zeker? Dat is volgens mij de essentie achter die theorie van de Engelse pers. Maar komt dat vaker voor bij een tweede dan bij een derde plaat? Volgens mij hangt het af van het moment in je leven. Maar eerlijk gezegd: mij ging de tweede plaat makkelijker af dan de eerste.”

“Meestal kondigt de Engelstalige markt het begin van een hype of het einde van een hype aan, en wij volgen.”

Je hebt geen schrik om uitverteld te geraken?
Marco: “Nee, en zeker nu niet. De eerste plaat ging vooral over mijn struggle met een gewoon leventje: ik was dertig jaar en zag niet veel bougeren in mijn muziekcarrière. En dus heb ik me maar neergelegd bij ‘The Ordinary Life of Marco Z’, wat de titel van mijn debuut is geworden.”

“Bij de opvolger ‘Hold Me Like The World Is Ending’ was ik vooral geïntrigeerd door de wereld rondom mij: de songs zijn minder autobiografisch. Deze keer kruip ik in de huid van personages, en die zijn niet per se gebonden aan mijn eigen emoties en meningen. Ray Davies of Damon Albarn schrijven ook zo. Dat is de nieuwe weg die ik ben ingeslagen.”

“Qua sound en stijl is er bovendien ook een zekere evolutie, al is die eerder subtiel dan drastisch te noemen: de esthetiek van de eerste plaat, maar dan uitgepuurder. Op een derde plaat zal ik blijven evolueren: ik wil nooit twee dezelfde platen maken. Nu ja, ik plaats mezelf binnen een singer-songwritertraditie en zal niet zo gauw de extreme evolutie van een groep als The Beatles doormaken.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Jij bent op een gegeven moment geconfronteerd met het fenomeen ‘een hit scoren’. Voelde je druk van fans met bepaalde verwachtingen?
Marco: “Mensen zullen altijd een bepaald beeld hebben van wie je bent als artiest. Maar als je je publiek wilt pleasen, als dát je hoofddrive is, dan ga je een heel ongelukkige mens worden, denk ik. Mijn vuistregel is: maak de muziek die jij wil maken, los van wat andere mensen ervan vinden.”

“Daarnaast wil ik natuurlijk dat mijn muziek zo veel mogelijk mensen bereikt: ik hou van lofi – ik ben ooit begonnen met four track-opnames – en ik zou nu bijvoorbeeld alles op cassette kunnen releasen. Maar dan krijgen mijn songs niet het publiek dat ze volgens mij waard zijn. Dus doe ik er alles aan opdat zo veel mogelijk mensen ze kunnen horen, zonder dat ik mijn eigen smaak ooit zal verloochen.”

Met je eerste plaat ben je wel gebombardeerd in het circus: je kreeg een MIA voor beste doorbraak. Heb je ooit meer lof gekregen dan je aankunt?
Marco: “Nee, ik ben niet door een mentaal dal gegaan. Mocht ik uitgeroepen zijn tot best breakthrough artist op de Grammy’s, da’s andere koek. Nee, ’t is ook máár Vlaanderen, hé. Er stonden niet plots horden fans voor mijn deur geparkeerd, het succes is nog steeds heel bevattelijk.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Heb je ‘tweede platen’ in de kast die opvallend slecht of, omgekeerd, opvallend goed zijn?
Marco: “Geen idee. (denkt lang na) Het cliché zegt: it’s all downhill from there. Maar kijk naar The Beach Boys, The Beatles, The Kinks: dat ging allemaal bergop!”

Allemaal groepen uit een lang vervlogen tijd, waar er ruimte was voor experiment, groei, evolutie. Zou er in de muziekpers van de laatste twee decennia sprake zijn van ‘een cultus van het debuut’ die ervoor zorgt dat een tweede plaat sneller oud nieuws is?
Marco: “Daar zit wél zeker iets in. De eerste plaat van Lykke Li vond ik heel goed, maar van die tweede plaat heb ik nauwelijks iets gehoord. Ladyhawke: nog zo iemand waar ik fan van was, maar haar tweede plaat is nooit tot bij mij geraakt. Arctic Monkeys idem. Hun debuut vond ik supergoed, en ik weet dat ze achteraf enkele goeie singles hebben gemaakt, maar ik heb heel weinig over hun platen gehoord. Al ben ik de releases na de jaren 2000 minder nauwgezet gaan volgen. The Strokes: die hadden ook een uitstekend debuut!”

Opvolger ‘Room On Fire’ geldt als dé klassieke ‘moeilijke tweede’! Wat vond jij ervan?
Marco: “Tja, niet beluisterd, hé. Als luisteraar word je fel beïnvloed door de mening van muziekjournalisten en het hele spektakel rond een plaat. Recensies zijn ofwel universeel lovend ofwel universeel afkrakend. Meestal kondigt de Engelstalige markt het begin van een hype of het einde van een hype aan, en wij volgen. Dus misschien is de tweede plaat van The Strokes geniaal? Wie zal het zeggen? Ik kan er in elk geval niet over oordelen.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Is jouw derde plaat al in voorbereiding?
Marco: “Toevallig wel. Tot nu toe was ik gefocust op repeteren, promosessies doen, de releaseshow in de AB … Er komt van alles bij zo’n release kijken, en dus heb ik even geen tijd gehad om creatief bezig te zijn. Maar nu, op dit eigenste moment, zit ik te denken: damn, ik wil een big record maken. Voor ‘Hold Me Like The World Is Ending’ heb ik heel veel thuis opgenomen, en zeker de tweede plaat van de dubbelaar klinkt heel fragiel. Voor de derde zou ik in de richting van Tom Petty of Bruce Springsteen kunnen evolueren. Maar dat zijn héél prille plannetjes.”

“Thematisch geraak ik in ieder geval niet gauw uitverteld: de wereld is zo rijk, je hebt iedere dag iets nieuws om over te schrijven. De grootste uitdaging voor mij als folkzanger is misschien: hoe hou je het productioneel fris? Al hoeft dat ook geen probleem te zijn. Townes Van Zandt, Billy Bragg: ze hebben allemaal hun hele carrière met dit soort muziek gevuld.”

marco-z.com

Bed Rugs

Yannick! Hoe worden jullie platen onthaald, vind je?
Yannick Aerts (zanger/gitarist/songwriter): “Na een release is het altijd bang afwachten wat de reacties zullen zijn. Om één of andere reden staan we bij de pers op een goed blaadje – geen idee waarom. Het grote publiek volgt dan weer niet massaal – óók geen idee waarom. (lacht)

Tussen jullie debuut ‘8th Cloud’ (2012) en het pas uitgebrachte ‘Cycle’ zat de ep ‘Rapids’ (2013). Bewuste keuze om de moeilijke tweede uit te stellen?
Yannick: “Nee, ‘Rapids’ hebben wijzelf altijd als volwaardige tweede plaat aanzien, ook al schijnt het een ep te zijn op basis van de tijdsduur. Wij hadden een aantal songs liggen en wilden ze opnemen met Niels Hendrix (producer, en zanger-gitarist bij Fence, red.). Punt. Als ‘officieuze’ tweede plaat was dat overigens geen moeilijke bevalling. De nieuwe is weer met Niels opgenomen, omdat die samenwerking toen zo vlot is verlopen. Met hem voelt opnemen nooit aan als ‘wroeten in de studio’. We gaan gewoon een dikke week logeren in Limburg bij een muzikale vriend; niet om te werken, da’s verlof. (lacht)

Hebben jullie bepaalde zaken anders aangepakt voor ‘Cycle’? Andere schrijfpatronen uitgeprobeerd?
Yannick: “Voor onze eerste plaat hebben we lang zitten schrijven en schaven, meestal aan mijn demo’s of die van Stijn (Boels, zanger-gitarist; red.) Gezocht tot we vonden waarnaar we dachten op zoek te zijn … Bij deze plaat zijn we daarentegen vertrokken vanuit basisgrooves, met keys, bas en drums. Dat was plezanter! Maar dat wil niet zeggen dat we met de volgende plaat hetzelfde gaan doen: ik denk dat je het altijd fris en interessant moet proberen te houden. Bij wijze van spreken kunnen we voor een volgende plaat songs maken op basis van ritmische impro, zolang we onszelf maar niet herhalen.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Jullie worden ondergebracht bij de psychedelica. Is dat een zegen of een vloek?
Yannick: “We zouden onszelf geen psychedelische groep noemen. In ons hoofd maken wij popmuziek. Maar het levert ons in ieder geval geen windeieren op. Het genre is aan een sterke heropleving bezig. Ik vraag me af: hoe lang kan die populariteit nog blijven stijgen?”

Staat dat genrelabel jullie niet in de weg om radicaal andere horizonten op te zoeken?
Yannick: “Nee, eigenlijk niet. In principe denken we nu nog niet aan een volgende plaat. Ergens na verloop van tijd zullen we de knoop moeten doorhakken: welke richting gaan we verder uit met Bed Rugs? Misschien brengen we eerst allemaal apart ons eigen ding uit? En gaan we dan pas weer samenspelen? Dat proces is vrij vaag en onvoorspelbaar. We denken niet na over welke richting het zou moeten uitgaan: de songs tonen de weg.”

Jullie hebben jobs, treden heel veel op, meer en meer in het buitenland bovendien. Moeten jullie periodes inlassen om aan nieuw materiaal te werken?
Yannick: “Ja, nu zitten we ook weer in dat stramien: veel live spelen, enkele buitenlandse tours binnenkort. En nieuwe nummers maken – het plezantste – moet ergens tussendoor gebeuren.”

“Dat zou voor druk kunnen zorgen: als je een songschrijfperiode vastlegt, dan móét het ook gebeuren – een beetje zoals seks plannen met je lief. In het beste geval komen nieuwe songs natuurlijk spontaan op je af, wanneer je er goesting in hebt, wanneer het moment just right zit. Dát moment, die spark bij het ontstaan van iets nieuws, dat is een heel vluchtig moment en dat voelt héél goed.”

“Maar een afgebakende songschrijfperiode inlassen werkt ook voor ons: die tijdsdruk geeft een push, een extra creatieve stimulans, omdat het van moeten is.”

“We denken niet na over welke richting het zou moeten uitgaan: de songs tonen de weg.”

Douglas Firs vertelt dat de timing van labels, boekers, management ook druk kan leggen op een band. Moeten jullie om de twee jaar met iets nieuws komen?
Yannick: “Dié druk was er ook, moet ik toegeven. Ze heeft ervoor gezorgd dat wij qua mix een snellere keuze hebben gemaakt dan we voor ogen hadden. Maar dat is ook niet per se de schuld van die mensen. Zij doen ook maar hun job, en in ons allergrootste belang. Zonder die druk zouden we trouwens nog stééds aan onze eerste plaat zitten te sleutelen. (lacht)

Team William heeft dit voorjaar een héél moeilijke tweede geworpen. Voornaamste oorzaak: Floris’ eigen perfectionisme. Druk van binnenin, herken je dat?
Yannick: “Wij zijn allemaal grote twijfelaars. De meeste muzikanten zijn dat, denk ik, tenzij je Noel Gallagher heet. (lacht) Floris is ook zelf producer en veel met de technische kant van muziek bezig, hé. Terwijl wij gewoon de songwriters zijn. Dat lijkt me belangrijk: met een producer werken die frisse oren heeft. Bij ons is Niels een uitstekende gids die perfect aanvoelt wat de songs nodig hebben.”

Zou je het erg vinden om een wereldhit te scoren?
Yannick: “Ja, eigenlijk wel. Ik denk dat een megahit scoren zelden een zegen is. Laat ons maar op eigen tempo aan de weg timmeren.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Maar jullie lijken wel enorm ambitieus. Boven interviews verschijnen koppen als ‘wij zijn groter dan Kanye West’. Of is dat om journalisten in de zeik te zetten?
Yannick: “Onze ambitie is voorzichtig toewerken naar de volgende stap: niet té snel groeien, niet direct de sterrenhemel in. Een nieuw doel stellen op het moment dat we het vorige doel hebben bereikt, en vooral geen stappen overslaan.”

“Nu is het doel om veel in het buitenland te gaan spelen. Beetje bij beetje ergens voet aan grond krijgen, waardoor onze shitty tours op termijn comfortabeler kunnen worden. Een netwerk creëren in het buitenland, langzaam een following op de been brengen. Op dat vlak zijn we zeker ambitieus: voor buitenstaanders lijkt touren misschien the good life, maar we werken er keihard voor.”

Is dat typisch Belgisch?
Yannick: “Dat is inderdaad een typisch karaktertrekje. De meest bevriende muzikanten zijn down to earth.”

“Ik ben toch wel blij dat ik in België woon. Geef toe, er wordt hier enorm veel kwaliteit gemaakt. Onlangs waren we in Oostende, waar The Van Jets een festival cureerden. Wat ik daar op één avond heb gezien, allemaal Belgische bands: écht indrukwekkend.”

© Koen Bauters
© Koen Bauters

Tot slot: kun je ons nog een ‘moeilijke tweede’ aan de hand doen die je enorm ontgoocheld heeft? Of omgekeerd: een tweede plaat die beter was dan het debuut?
Yannick: “Ik vind dat nogal arbitrair: vaak is de tweede ‘officiële’ plaat van een band niet de tweede plaat die ik leer kennen. Ik grijp vaak terug naar de platen waarmee ik een groep ontdekt heb, los van volgorde van release. Sebadoh, bijvoorbeeld: die heb ik leren kennen met ‘Harmacy’, voor mij nog steeds hun beste, terwijl de meeste fans het niet met me eens zouden zijn. Maar dat soort platen brengt je terug naar je eerste ontmoeting met die band. Het moment waarop je dacht: ‘tiens, dit klinkt raar, maar wél goed!’.”

Liars vernieuwen zichzelf steeds weer en blijven interessant. Maar sommige groepen houden het nu eenmaal niet zo lang vol. De tweede van The Strokes vond ik beter dan hun eerste, maar nu hebben ze me wél compleet verloren. Zij lijken mij ten onder gegaan aan grote zalen, hoge verwachtingen en de lokroep van het grote publiek. ’t Is niet makkelijk, hoor. En daarom wens ik dat Bed Rugs écht niet toe. Bovendien zouden bepaalde personen in de groep té hard naast hun schoenen beginnen te lopen. Ik ga geen namen noemen. (lacht)

facebook.com/bedrugsmusic