Buscemi

Ritmesectie: het hart van elke band

Je ziet het vaak op concerten: hele rijen hoofden, die vanaf het moment dat de band begint te spelen, spontaan beginnen mee te wiegen. Bij de ene gebeurt dat door licht te knikken, bij de ander door zwaarwichtig te headbangen. Maar hoe komt het eigenlijk dat de ene groep ons van meet af aan laat meeknikken met de cadans van de muziek en de andere groep er alle moeite mee heeft om het publiek synchroon in de handen te laten klappen? Het heeft alles te maken met de groove, de swing of de flow die van het prodium straalt. En die wordt tot nader order nog steeds bepaald door de ritmesectie. Omdat Poppunt ook wel eens wou weten wat een goeie ritmesectie hoort te doen om het publiek mee te krijgen, trokken we naar het verre Hasselt, hometown van de ritmesectie van Buscemi. Ankerplaats van mannen die met een welgemikte baslijn en een paar rake mokerslagen hele naties tot dansen aanzetten. Dames en heren, voor u speelt ten dans: Hans en Luuk, bassist en drummer bij het fantastische Buscemi.

Heren, jullie maken al sinds jaar en dag de ritmesectie van het door caraïbische beats bezwangerde Buscemi. De juiste mensen om ons te vertellen wat een ritmesectie precies is?
Hans: “Zeer kort? De fundering van een band. Zowel voor pop-als klassieke muziek.”

Goed, bedankt voor het gesprek….
Luuk: “(beetje uit zijn lood geslagen) Ho, wacht. Er is meer. Bij Buscemi wordt die gevormd door de bas en de drums, waarbij de bas de link vormt tussen het ritme en de harmonie. Maar een ritmesectie kan natuurlijk ook uit andere instrumenten bestaan, zoals drums, bas, gitaar, piano,…”

De taak van een ritmesectie…
Luuk: “…is een fundament leggen waarop de rest van de band kan bouwen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is, omdat het niet steeds voor de hand ligt een nummer een goeie vibe te geven. Voor een zanger is dat makkelijker, want hij kan met zijn stem karakter geven. Ook al geldt dat niet altijd. Bij een groep als Level 42 (jaren ’80 grootheden, waarvan bassist Mark King het slappen op bas populair maakte, nvdr.) bepaalt net de ritmesectie het gezicht van de band.”

Hans: “Als je in een groep speelt, merk je onmiddellijk waar het zwaartepunt ligt: laat de gitarist een riff spelen en je zal merken dat dat uiteindelijk niet echt draagt. Van het moment dat de drums en bas erbij komen, krijg je veel meer body. En eigenlijk bepaalt het drumstel alleen al de klank van een band.”

En wij die dachten het de stergitarist was die met een welgemikte solo de sfeer zette…
Luuk: “Je bent niet de enige (lacht). Drum en bas hebben niet alleen meer impact, maar moeten de groep ook zo goed mogelijk laten klinken. Als de ritmesectie het verkloot, hoor je dat meteen, terwijl gitaristen al es een vreemd akkoord mogen spelen. Een ritmesectie die zwaar uit de bocht gaat, is echt een pijnlijke zaak.”

Hans: “Als de bas iets fouts speelt, zullen de akkoorden van de andere instrumenten ook meteen heel vreemd klinken. Het publiek zal het misschien niet meteen horen, maar wel voelen..”

Zit de kracht van een band dan hoofdzakelijk in de samenwerking tussen drum en bas?
Luuk: “Ja, al realiseren zich niet veel mensen dat. Op concerten zie je vaak ongelooflijke gitaristen die heel wat capriolen uithalen, maar men vergeet wel eens dat die een stevige ritmesectie in hun rug zitten hebben. Ik weet niet of het louter aan de ritmesectie ligt of een band goed is of niet, maar als een band maar matig staat te spelen, is dat vaak te wijten aan een hortende ritmesectie. Ik zie soms goeie groepen die een pak straffer uit de hoek zouden kunnen komen, mocht er een andere drummer of bassist meespelen.”

Hans: “Het is een huizenhoog cliché, maar een groep is maar zo goed als zijn drummer. Als  muzikant luister je natuurlijk op een andere manier naar muziek, maar als iets niet klinkt of als een band niet lekker groovet, heeft dat vaak veel te maken met de drums.”

Luuk: “Wat niet betekent dat de drummer ongelooflijk strak moet zitten, hé. Hij moet gewoon een lekkere vibe of groove kunnen neerzetten, iets dat swingt. Dat het tempo van begin tot einde niet constant op 120 Bpm zit, is niet zo belangrijk. De drummer van Radiohead zit ook soms te rommelen, maar dankzij de flow die hij creëert, komt hij daar makkelijk mee weg.”

Voor de rest van de band moet een goeie ritmesectie aanvoelen als een lekkere sofa…
Hans: “Absoluut. En daarom is het belangrijk dat bassisten en drummers goed op elkaar ingespeeld zijn. Als ik met een willekeurige drummer moet samenspelen, is het toch een beetje zoeken. Soms klikt het, soms niet. Als je vaak samenspeelt, ontstaat een hechte band waarin je elkaar muzikaal steeds beter gaat begrijpen.”

Hoe lang spelen jullie al samen?
Luuk: “Acht jaar. En in die tijd hebben wel elkaar echt leren kennen. Het belangrijkste is dat we zowat dezelfde muziekwoordenschat ontwikkeld hebben.”

Hans: “Ik weet intuïtief welke kant Luuk op wil. En net dat maakt het zeer aangenaam, weten dat je op dezelfde golflengte zit.”

Luuk: “Ik moet wel zeggen dat we nooit echt nadenken over wat we gaan doen. Buscemi is geen fusion, hé, waarin de muzikanten eerst een moeilijk arrangement uitschrijven met een paar duizend noten.”

Hans: “Ervaring, dat telt. Er gaat toch wat tijd over voor je als ritmesectie goed op elkaar afgestemd bent. Je moet luisteren naar wat de andere doet en proberen om samen naar een punt toe te werken. Als elk groepslid een eilandje is en enkel speelt waar hij zin in heeft, dan werkt het niet.”

Een lekker swingende ritmesectie ontstaat pas na jaren samenspelen. Jullie spelen ook samen bij Anton Walgraeve. In welke mate verschilt dat met Buscemi?
Luuk: “Het is toch een groot verschil. Bij Anton gaat het er iets klassieker toe, in die zin dat we met een ‘normale’ bezetting zitten. Dirk (Swartenbroeckx, Buscemi, nvdr.) gebruikt veel loops, wat resulteert in een totaal andere manier van spelen. Het is een uitdaging om daar als ritmesectie creatief mee om te gaan. Bij Anton hebben we een heel andere functie en mag het allemaal iets minder, iets kleiner gespeeld worden. Bij Buscemi kunnen we extremer gaan, maar alleen omdat die muziek erom vraagt. Mochten we ons bij Buscemi beperken tot louter ondersteunen, dan zou het lang niet zo boeiend zijn.”

Hans: ”Dat denk ik ook. Weet je, ik kan me er als bassist ook veel meer permitteren. Effectpedaaltjes gebruiken, bijvoorbeeld, wat in een klassieke ritmesectie moeilijker is. Bij Buscemi gebruik ik die voortdurend, gewoon om klank te maken.”

Je zegt net dat er bij Buscemi verschillende loops meelopen. Spelen jullie dan met een clicktrack om de pedalen niet te verliezen?
Luuk: “Neen. We spelen op wat we in de monitor horen en dat gaat heel lekker. Een click en een loop zitten trouwens ook niet altijd samen. De timing kan totaal verschillend zijn. Stel dat je over een heel relaxte loop een click laat lopen, dan is het aartsmoeilijk om de juiste groove te pakken te krijgen. Volg je de click, dan ben je voor op de loop; doe je het andersom dan zit je achter de click.”

Over al dan niet met click of metronoom spelen is al heel wat gezegd, zelfs gezeverd. De ene vindt een click een satansgegeven, de andere een zegen. Wat denken jullie over het fenomeen clicktrack. Een zegen of een vloek?
Luuk: “Allebei. Het is niet zo vanzelfsprekend om steeds het juiste tempo aan te houden. Ik denk dat zelfs de meest strakke drummer er live wel een paar beats naast kan zitten, gewoon uit enthousiasme.”

Hans: “Al kan een click ook heel veel helpen: als je met muzikanten de studio induikt en er zitten er een paar tussen met een zwakke timing dan is een clicktrack meer dan welkom. Maar als je dan weer te hard met de click bezig bent, loop je het risico de essentie uit het oog te verliezen. Maar een click live? Neen, liever niet…”

Luuk: “Een click hoort een hulpmiddel te zijn, niet iets waar je tegen moet vechten. Als een drummer tijdens een opname met click speelt, maar dat niet gewend is, dan hoor je dat. Ik vind een click wel aangenaam, maar live hangt het een beetje af van de situatie. Bij Buscemi zou het niet veel goeds opleveren, maar bij een band als Novastar is het dan weer wel een noodzaak, omdat er ook het een en ander op band staat.”

Hans: “In een studio heb ik wel graag een ijkpunt, maar live vind ik het lang niet erg dat een nummer een beetje sneller eindigt dan het begonnen is.”

Haalt een click dan niet alle dynamiek uit een nummer?
Luuk: “Je moet er natuurlijk wel mee leren spelen. Het vraagt toch een beetje oefening, anders gaat het allemaal wat vierkant klinken. Eigenlijk moet je de click beschouwen als een andere muzikant die een ongelooflijk straf ritme heeft.”

Jullie hebben als oude rotten in het vak ongetwijfeld een boeiend antwoord op deze: vraagt elk nummer een eigen tempo. Of, anders gezegd, plooit een nummer zich na verloop van tijd automatisch naar een natuurlijk tempo…

Luuk: “Dat denk ik wel. Het geldt alleszins voor de muziek van Anton. Als hij iets speelt op zijn gitaar en het zit goed qua cadans, betekent dat niet dat het meteen met de bas en drum zal klikken. Het kan te traag aanvoelen of te snel. En dan moet je daaraan beginnen sleutelen.”

Hans: “Tempo is niet zomaar eender welk tempo, hé. Het maakt echt deel uit van de compositie. Als een nummer net iets te langzaam gespeeld wordt, dan voel je dat. Het trekt of je begint zelf te duwen om het in de juiste plooi te krijgen. En het scheelt soms maar een à twee beats. Bij ballades hoor je dat verschil nauwelijks, maar bij dance wel.”

Luuk: “Het is vaak een beetje wikken en wegen. En je moet af en toe een compromis maken: als een nummer voor de zanger te snel is, dan moet je het aanpassen, want voor een zanger is er niets zo vervelend als het gevoel te hebben dat je je nummer moet afhaspelen. Uiteindelijk heeft hij het nummer geschreven. Nu ja, een nummer zal altijd wel evolueren. Het kan dus een tijdje duren voor je de juiste feel te pakken hebt. Kijk naar wat we bij Buscemi doen: de nummers die we nu spelen, wijken toch wel wat af van wat we vroeger deden.”

In hoeverre reikt jullie vrijheid bij Buscemi?
Luuk: “Redelijk ver. We hebben niet echt vaste afspraken, behalve dan wanneer een nummer begint (lacht). Hoe of wanneer het gaat eindigen, weten we ook niet altijd. En er zit veel improvisatie tussen. Met Buscemi hebben we in al die jaren nog maar twee keer gerepeteerd. Gewoon omdat de muziek daar niet om vraagt. Tijdens de soundcheck proberen we nu en dan iets nieuws dat we tijdens het optreden in de set gooien. Die manier van werken houdt het ook interessant voor het publiek.”

Hans: “Improviseren kan ook een risicovolle onderneming zijn, want het kan volledig mislopen. Gelukkig hebben we beiden genoeg ervaring om de valkuilen te omzeilen. Tien jaar geleden zou ik dat niet gekund hebben.”

Jullie maken nagenoeg geen afspraken, maar loert dan niet het gevaar dat één van jullie alles naar zich toe trekt? Dat Luuk denkt: “Ik zal vanavond eens laten zien wat ik allemaal kan”, en dat jij maar moet volgen?
Hans: “Oh nee, dat ligt niet in onze aard. Trouwens, bij Buscemi is geen plaats voor egotripperij. Improviseren kan wel, omdat we daar toch met zijn tweeën aan moeten werken. Maar van de 100 nieuwe dingen die we proberen, gebruiken we er maar twee of drie. Die improvisatie maakt dat we tijdens de optredens wel alert moeten blijven, want als ik Luuk niet volg of hij mij niet, dan blijven we ergens hangen in niemandsland. En soms slagen we er niet echt in om een idee naar muziek te vertalen, maar dat hoort het publiek niet.”

Luuk: “Het publiek is ook niet altijd meteen mee. Als ik dat merk, heb ik de neiging om er een schepje bovenop te doen en begin ik gretiger te spelen. Buscemi maakt dansmuziek, hé, en dan wil je dat het publiek uit de bol gaat. Het probleem is dat we geen band zijn als Faithless, die de mensen kan opzwepen door ze vanalles toe te schreeuwen. Ik denk dat er bij ons nooit iets gezegd wordt (lacht).”

Maar wat als je merkt dat het publiek half geïnteresseerd staat te luisteren en je daardoor een beetje in een dip sukkelt? Halen jullie elkaar er dan weer bovenop?
Hans: “Oh ja. Het gebeurt zelden, maar als ik merk dat Luuk het eventjes niet meer zie zitten, dan schreeuw ik hem wel iets toe. Of geef ik hem een hengst tegen zijn hoofd (lacht).”

Boem!Paukeslag…hebben jullie trouwens een favoriete ritmesectie? Internationaal? Nationaal?
Luuk: “Hoh, ik vind die mannen van U2, Adam Clayton en Larry Mullen wel zeer straf. Maar dat zijn lang niet de enigen. Ik zou er tientallen kunnen opsommen…”

Goed, begin maar. We zullen het bandje laten lopen. Met click! Heren, cheers.