Arno

"Touren is het mooiste wat er bestaat"

Soms, heel soms kom je als rockjournalist in situaties terecht waarvan je vooraf enkel durfde te dromen. Er was ons voor deze Terugblik hooguit een dik half uur interview beloofd met Arno. Dat liep even anders: we zaten samen een hele namiddag knus te keuvelen op zijn appartement terwijl we genoten van een heerlijk glaasje rode wijn. Arno bombardeert me met het ene mooie verhaal na het andere. Ik kan jullie enkel een beperkte bloemlezing geven op deze pagina’s maar daaruit blijkt eens te meer: Arno est un grand monsieur, un beau mec et surtout un bohémien qui n’a tout à fait pas fini son Odyssée …

Bijna 60, maar nog steeds even bevlogen. Of het nu gaat om zijn vrienden-muzikanten, goede smaak in het leven of de Belgische zaak (“waar zijn ze in Vlaanderen in godsnaam mee bezig? België is de hemel op aarde!”), het is een absolute lust om naar deze man te luisteren. Wij kunnen maar één conclusie trekken: lief, integer, rechtgeaard … maar bovenal artiest pur sang!

Arno, je groeide op in Oostende. Wanneer besefte je voor het eerst dat je muzikant wilde worden?
Arno: “Dat ik niet wilde werken, zal je bedoelen. (lacht) Ik was 15, liep door de Langestraat in Oostende en hoorde muziek uit een café waaieren. Aangezien ik nog niet binnen mocht, vroeg ik door het openstaande raam aan de barman wie dat zong. ‘Bob Dylan, Like A Rolling Stone’, riep hij me toe. Vanaf dat moment besefte ik dat ik niet langer alleen was. Wat voor muziek was dat! Ik beleefde trouwens een heerlijke tijd in Oostende. Er heerste toen zoveel meer anarchie als nu.”

Mis je dat vandaag?
Arno: “Alles is veranderd. De pil bestond toen nog maar pas en aan de manier waarop de mensen gekleed waren, kon je zien waar ze vandaan kwamen. Een kerel van 25 was een oude zak toen ik 16 was, want die had de oorlog nog meegemaakt. Alles wat wij deden, bestond nog niet en dat had zo veel charme. Ik had toen lang haar. Als ik de bus opstapte, werd het stil. Ik maakte het zelfs een keer mee dat een studieleraar me de toegang tot de school wou weigeren zolang ik mijn haar niet liet knippen. Jawadde!”

Na je apenjaren in Oostende begin je in bands te spelen. Eerst komt Freckle Face, nadien beland je in Tjens Couter aan de zijde van Paul Decoutere.
Arno: “Paul is nog steeds een goede vriend. Ik ontmoette hem in een boetiek met Engelse kleren, waarvan hij gerant was. Aanvankelijk speelde ik mondharmonica bij Freckle Face, tot ik op een dag met een eigen liedje kwam aandraven. We maakten vanalles mee. Op een dag verbrandde onze bassist-zanger zich ernstig omdat hij tijdens studio-opnames met Freckle Face niet genoeg aarding kreeg.”

“Enige tijd later werden Paul en ik door een Franse agent uitgenodigd om een ganse zomer in jeugdclubs aan de Côte d’Azur te gaan spelen. We kregen 6.000 Belgische frank (150 euro) wat toen veel geld was. We hebben daar als God in Frankrijk geleefd! Wanneer we terug in Parijs arriveerden, namen we er deel aan een rockwedstrijd. We wonnen die en kregen 12.000 frank (300 euro) en een platencontract met Barclay. Toen we met de trein terug in Brussel aankwamen, beseften we dat we ons contract vergeten waren.”

“Kort daarna namen we ‘Saturday Night Queen’ op met de steun van Karel Bogaert, die aan het hoofd stond van Dwarf, een sublabel van EMI. We werden opgepikt door IBC, een ander EMI-sublabel, en onze plaat kreeg distributie in Engeland. Nog wat later tekenden we een contract met het Engelse Big Bear Records en vertrokken we op tournee door Engeland, Duitsland, Nederland … We kwamen in het Duitse muziekprogramma Rockpalast en waren de eerste Belgische band die ooit te gast was bij Avro’s Toppop. It’s a long way to the top if you wanna rock and roll. Ons nummer ‘Gimme What You Need’ zat zelfs in de jukebox van de legandarische New Yorkse club CBGB’s. In die tijd was echt alles mogelijk.”

Over naar de jaren tachtig: TC Matic-time en weg van de blues.
Arno: “Ik was in Amerika geweest en zag dat zij het beter deden dan ons. Vanaf dat moment wilde ik Europese muziek maken. De Belgische pers reageerde – in tegenstelling tot het publiek – erg lauw. Tot de dag dat we op de cover van Oor stonden, want toen werden we ineens ‘hot’. We kwamen terecht bij dezelfde platenfirma waar ook The Birthday Party en D.A.F. (Deutsch Amerikanische Freundschaft) onderdak vonden. Een tijdje later tourden we alweer door Europa.”

In die periode maakten jullie enkele magische nummers: ‘Oh La La La’ en ‘Putain Putain’ blijven tijdloze klassiekers.
Arno: “Je moest eens weten hoe die tot stand zijn gekomen. Door het grote kind uit te hangen. Ik pak op een gegeven moment de gitaar van Jean-Marie en begin wat te tokkelen op die twee metalen veren aan de achterkant van de body. En wat komt daar uit? De riff die nadien wereldberoemd wordt in ‘Putain Putain’. Zelfs een kind kan zoiets.”

Nieuwe muzikale wereld

Wijlen Marc Mijlemans schreef ooit in Humo: “Nooit toonde een Belgische groep zoveel soul.” Akkoord?
Arno: “Da’s moeilijk om van mijn eigen band te zeggen. Maar je kan wel stellen dat we een totaal nieuwe muzikale wereld creëerden. Zelfs de Red Hot Chili Peppers spraken over ons. Maar wat wil je met een gitarist als Jean-Marie en een jongen als Serge Feys, die toen trouwens nog in het leger zat en eigenlijk niet buiten de kazernemuren mocht. We mochten dus aanvankelijk niet te vaak in de pers komen.”

Was TC Matic één van de allerbeste bands in de Belgische rockgeschiedenis?
Arno: “Ongetwijfeld één van de avontuurlijkste, samen met Front 242. We hebben voor veel andere bands deuren geopend en de Belgische rock op de kaart gezet in gans Europa.”

Na TC Matic ga je als Arno verder door het leven en maak je een paar erg sterk albums (o.m. ‘Idiots Savants’). Tot je de bladzijde omslaat en voor een totaal nieuw hoofdstuk kiest: Charles et les Lulus. Je omschrijft het zelf als één van je mooiste periodes. Waarom?
Arno: “Ten tijde van ‘Ratata’ zat ik op een dood spoor. Ik voelde me totaal niet meer vrij en wilde een andere vorm van rockmuziek maken. Ik ging op zoek naar mensen met wie ik nog nooit had gewerkt maar waarvoor ik wel veel respect had; Piet Jorens, Ad Cominotto and last but not least mijn grote soulbrother Roland Van Campenhout. Bovendien wilde ik opnieuw in kleine clubs en cafés spelen. We hebben dan één week gerepeteerd, ergens in het Spaans kwartier van de Marollen. De week nadien trokken we naar een studio van één of andere Italiaan aan het Kaaitheater en weer een week later was de plaat helemaal opgenomen en gemixt. Ik hou niet van lange opnamesessies; bij mij moet het vooruit gaan. Tijdens de tournees die daarop volgden, hebben we ons rot geamuseerd. Het was elke avond feest en het podium was versierd met allemaal lampjes van de foor.”

Een kop als Bukowski

Je liefde voor Roland is blijkbaar erg groot?
Arno: “Dat is één van de mooiste mensen die ik ken; een echte survivor. Er zijn er geen twee zoals hem. Hij heeft een kop als Bukowski maar hij is veel mooier. Op zo’n mens kan ik niet boos zijn.”

Met hoeveel plezier je ook terugdenkt aan Charles et les Lulus; nadien ga je toch weer de jongere en brutalere tour op met Charles & The White Trash European Blues Connection.
Arno: “Inderdaad. Ik wilde weer eens rocken. Die plaat is trouwens ook op vier dagen tijd opgenomen. Sindsdien werk ik samen met Geoffrey Burton, een echte motherfucker. Maar ik zie hem graag en even graag bezig. Weet je trouwens dat veel gitaristen hun instrument als het verlengde van hun penis zien. Maar dat is zeker niet het geval bij Geoffrey, hij is de grote uitzondering die de regel bevestigt. Om dezelfde reden speel ik zo slecht gitaar. (lacht)

Arno, in een oud interview lees ik dat je enorm kickt op een podium, tournees, lekker eten … Nog steeds?
Arno: “Ik ben sinds een maand niet meer op tournee geweest. Ik moet daar fysiek enorm van afkicken. Op tournee voel ik me fantastisch: ik zit niet in bars, loop niet op straat, moet niet voor mijn huishouden en mijn eten zorgen, eet elke avond op restaurant … de gebraden kippen vliegen me gewoon in de mond. Bovendien doe ik elke dag twee uur sport op het podium, wat mijn conditie op peil houdt. Als ik dat niet doe, voel ik me oud en rot en krijg ik al na enkele dagen overal fysieke pijn. Bovendien ga ik dan ook veel drinken want ik verveel me dood.”

Je hebt kinderen. Gaan zij in jouw muzikale voetsporen treden?
Arno: “De muzikale vibes zijn zeker aanwezig bij hen maar ik stimuleer dat niet; ze moeten vooral doen wat ze graag doen.”

Materialisme verstikt alles

Je was je leven lang een non-conformist. Je bent nu bijna 60; wordt het niet een beetje vermoeiend?
Arno: “Het is te laat om nog te veranderen. Ik ben oud geboren en zal jong sterven. Daarmee bedoel ik dat ik al gans mijn leven oud ben, maar me jonger voel naarmate ik ouder word. Als ik veel jonge mensen bezig zie, lijken die zo oud. Ze denken enkel en alleen aan het geld. Plezier maken … ho maar! Te veel mensen staan vandaag veel te materialistisch in het leven en dat doodt alle creativiteit.”

Laten we het nog even over Brussel hebben; je thuisbasis sinds enkele decennia.
Arno: “In Brussel leven de verschillende culturele groepen veel dichter met en door elkaar dan in Parijs en Londen Als ik ’s avonds thuiskom na een avondje stappen, weet ik vaak niet welke talen ik allemaal gesproken heb. Ik snap helemaal niet waarom de meerderheid van de Vlamingen schrik heeft van Brussel. Alle flikken spreken hier Vlaams want ze moeten tweetalig zijn. Weet je wat het probleem is? Ze kennen Brussel totaal niet, maar ze geven wel voortdurend commentaar. Het overwegend Franstalige Brussel – la Belgique à papa – bestaat niet meer. Dat dateert uit de jaren zeventig. Er gebeuren momenteel zo veel fantastische dingen in deze stad.”

Ga je nog wel eens terug naar Oostende?
Arno: “Vooral in de winter. Dan loop ik naar de zee en snuif haar specifieke geur op. Ik ruik trouwens veel beter sinds ik twee jaar geleden gestopt ben met roken. Daarnaast duik ik er regelmatig met Serge Feys in zijn studio. Je mag niet vergeten dat mijn roots daar nog altijd liggen. Bovendien is het maar 120 km; voor een Amerikaan is dat nog steeds Brussel.”

Arno, waar ben je het meest fier op?
Arno: “Dat ik niet veel heb moeten werken in mijn leven.”

Maar dat heeft soms toch veel moeite gekost. In je biografie las ik dat je bijvoorbeeld een tijd in een Gents krot woonde en elke avond op een luchtmatras sliep die langzaam leegliep. Je dronk je dan maar lazarus om de slaap te vatten.
Arno: “Dat moet inderdaad heavy geweest zijn, maar dat weegt me nu zwaarder dan toen. Ik vraag me vandaag soms af: hoe heb ik het in godsnaam allemaal gedaan? Ik huurde er een krot van 300 frank (7,5 euro) waar niemand wilde wonen. Gelukkig was er op de hoek een kruidenierswinkel van een heel lieve mevrouw die me elke morgen een stuk brood met kaas en hesp toestak. Zo had ik mijn dagelijkse croque-monsieur.”

Je zei ooit: “Het enige wat ik kan, is muziek maken. Dat geeft me mijn vrijheid.”
Arno: “Ik heb inderdaad steeds muziek gemaakt om vrij te zijn en dat is vrij goed gelukt. Aan mijn ouderdom kan je dat wel zeggen. (lacht) Maar ik ben met mijn gat in de boter gevallen; heb verschrikkelijk veel geluk gehad.”

Of je hebt enorm veel doorzettingsvermogen?
Arno: “Dat ook. En ik ga er nog elke dag voor, hé. Soms besef ik pas nadien wat ik gerealiseerd heb en schrik ik daarvan. Ik kom uit dezelfde overlevers-familie als Roland. Alleen is hij een nog warmer, meer integer en technisch beter muzikant dan mij.”

Slotvraag: in één en hetzelfde nummer van je horen we soms drie verschillende talen. Hoe pak je dat aan op het vlak van songwriting?
Arno: “Heel simpel. Ik woon in een stad waar constant vier talen worden gesproken. En als je met de hond slaapt, krijg je zijn vlooien. Ik schrijf nummers zoals ik spreek. Bovendien maak ik een popsong en geen literatuur. Ik moet dus alles zeggen in drie minuten.”

Ahum … In drie uur bedoel je? Bedankt voor de lekkere wijn, Arno.

Quote: “Op tournee voel ik me fantastisch: ik zit niet in bars, loop niet op straat, moet niet voor mijn huishouden en mijn eten zorgen, eet elke avond op restaurant … de gebraden kippen vliegen me gewoon in de mond.”

Quote: “Ik snap helemaal niet waarom de meerderheid van de Vlamingen schrik heeft van Brussel. Alle flikken spreken hier Vlaams want ze moeten tweetalig zijn. Weet je wat het probleem is? Ze kennen Brussel totaal niet, maar ze geven wel voortdurend commentaar. Het overwegend Franstalige Brussel – la Belgique à papa – bestaat niet meer. Dat dateert uit de jaren zeventig. Er gebeuren momenteel zo veel fantastische dingen in deze stad.”