Uitreiking Popthesisprijs 2011

DSC01217
DSC01220
DSC01222
DSC01234
DSC01241
DSC01236
DSC01245
DSC01244
DSC01253
DSC01263
DSC01256
DSC01260
DSC01267
Kathleen Vogelaers 53 (2)

We moeten er niet langer geheimzinnig over doen: Kathleen Vogelaers is de winnares van de Popthesisprijs 2011. Haar verhandeling over de hogere opleidingen in de popmuziek, en dan vooral over de noodzaak aan zakelijke vorming daarin, raakte een gevoelig thema aan. Vandaag de dag heerst er een overaanbod aan degelijke (al dan niet geschoolde) muzikanten. En als talent niet langer een criterium is, is het logisch dat elders een onderscheid moet gemaakt worden: bij ondernemerschap. Vogelaers wist de jury te overtuigen door een combinatie van theoretische verdieping en diepgaande gesprekken met de verschillende betrokkenen aan de muziekopleidingen. De uitreiking van de prijs gebeurde zoals de Poppunttraditie het wil met een themadag rond de scriptie (dit keer in Huis23, de living room van AB, Poppunt en Muziekcentrum Vlaanderen) en een afsluitend gesprek aan de toog.

Op het programma stonden drie lezingen: allereerst Kathleen Vogelaers zelf om haar werk nog eens kort uit de doeken te doen, daarna Carlo Vuijlsteke van Flanders DC die het zou hebben over creatief ondernemerschap, en ten slotte Tijs Vastesaeger over de positie van de muzikant ‘tussen markt en muze’. Samen moest dat een mooi totaalbeeld bieden van de noodzaak aan zakelijk ondernemerschap in creatieve sectoren, en hoe dat gestimuleerd of georganiseerd kan worden.

De eer om de spits af te bijten, was weggelegd voor winnares Kathleen Vogelaers. Ze legde nog eens kort uit volgens welke structuur ze haar werk opbouwde. Die bestond enerzijds uit een theoretische verdieping, waarin onder andere onderzocht werd wat zakelijk ondernemerschap nu eigenlijk is, en anderzijds uit twee interviewrondes. In de eerste ronde praatte ze met (voormalige) studenten van zes grote muziekinstellingen in Vlaanderen: de vier conservatoria, Jazz Studio in Antwerpen en PHL Music in Hasselt. In een tweede ronde ondervroeg ze die educatieve instellingen over haar eigen bevindingen en de beweringen van de studenten. Na een korte uitleg koos Kathleen Vogelaers er terecht voor om wat langer stil te staan bij de restultaten. Ze legde een aantal zaken bloot. Ten eerste dat artistieke kwaliteit nog steeds de basis van alles is; zaken als instrumentbeheersing en leren musiceren primeren terecht. Pas daarna moet gekeken worden naar zakelijke vorming. Wat de noodzaak van dergelijke vorming betreft, legde ze ten tweede een duidelijke tweestrijd bloot. Huidige en voormalige studenten zijn er steeds meer van overtuigd dat je als muzikant niet meer zonder ondernemerschap kunt. De scholen lijken echter niet zo overtuigd. Ze reiken een aantal argumenten aan: bij veel studenten heerst een desinteresse in het economische aspect, het curriculum zit nu al vol genoeg, veel studenten worden leerkracht en hebben dus niets aan leren ondernemen, de onderwijssector is te rigide om zomaar aanpassingen te doen, er zijn niet genoeg middelen voor extra lessen, de docenten moeten eerst ‘mee’ zijn, enzovoort.

Toch bleef Vogelaers net als de studenten overtuigd van de noodzaak, en dat vertaalde zich in een aantal concrete aanbevelingen. Naar het praktijkniveau, de opleidingen toe om zo snel mogelijk te beginnen met de implementatie van zakelijke vorming voor alle studenten. Als het nu al gebeurt, dan komt de vorming meestal aan bod in de latere studiejaren of wordt het zelfs in een keuzevak gegoten. Ook over de manier waarop de implementatie gebeurt, worden een aantal suggesties gedaan om het aanbod zo dicht mogelijk bij de realiteit te houden: samenwerkingen aangaan met professionals uit het werkveld, stages invoeren, de bewustwording bij docenten verhogen, internationale en nationale uitwisseling van knowhow tussen instellingen, wijzen op de verschillende ondersteunende organisaties in Vlaanderen (zoals Poppunt en Muziekcentrum Vlaanderen), enzovoort. Naar het beleid toe volgden ten slotte drie aanbevelingen: ten eerste de vraag om een werkgroep van deskundigen op te richten rond het onderwerp; ten tweede om meer flexibiliteit te scheppen voor de onderwijsinstellingen; en ten derde voelen zowel studenten als de opleidingen aan dat het artiestenstatuut nog beter kan. Tijd om die discussie opnieuw te openen.

Na Kathleen Vogelaers was het aan Carlo Vuijlsteke om een element van de winnende thesis uit te lichten. Met ‘ondernemerschap en zakelijke kennis in de creatieve sector’ richtte hij zich op de competenties die vereist zijn om zich in een creatieve industrie te kunnen onderscheiden van de rest, en dan vooral over hoe je die vaardigheden bekomt. Hij baseerde zich op een visienota van zijn werkgever, Flanders DC, genaamd ‘Creatieve industrieën in Vlaanderen’, en de lezing was grotendeels opgebouwd rond de vraag of je ondernemerschap reeds vanaf jonge leeftijd kunt stimuleren. Het is logisch dat kinderen nog kneedbaar zijn, hun hersenen zijn nog volop in ontwikkeling. Vroegere ervaringen worden neurobiologisch verankerd en hebben hun effect op latere leeftijd. Het huidige systeem om ondernemerschap te bevorderen is echter teleurstellend, aldus Vuijlsteke: slechts één op de tien mensen wordt daardwerkelijk ondernemer, creatieve vaardigheden worden op school eerder afgestopt dan aangemoedigd, enzovoort. Dat moet beter kunnen.

Carlo Vuijlsteke presenteerde daarom een aantal tips om zakelijke kennis op jonge leeftijd te bevorderen. Zo moet de omgeving dergelijke ontwikkeling aanmoedigen. Om dat te bekomen, kun je vier cruciale competenties aanmoedigen: leiding geven, creativiteit, verkopen en ruilen, en non-conformistisch handelen. Het valt op dat een schoolomgeving die vaardigheden vaak ontmoedigt. Niet verwonderlijk dus dat veel creatieve ondernemers moeite hebben met het systeem, denk maar aan Steve Jobs, Bill Gates en Mark Zuckerberg. Daarom beëindigde Carlo Vuijlsteke zijn uiteenzettting met een pleidooi naar het schoolsysteem toe. Laat kinderen genoeg experimenteren en risico’s zelf ontdekken. Stimuleer transactioneel gedrag: niet zomaar iets verbieden, maar samen zoeken naar een aanvaardbaar alternatief. Leer ze stapsgewijs naar een resultaat toe werken, door telkens te wijzen op net bereikbare, noodzakelijke tussenstappen. Stimuleer interactie en samenwerking. Moedig ieders talenten aan. De volledige studie en meer tips zijn te vinden op de website van Flanders DC.

Afsluitend mocht Tijs Vastesaeger (Doenker, PHL Music) een boekje opendoen over zakelijke vorming. Hij had het over de positie van de muzikant, die zich ‘tussen markt en muze’, tussen commercie en kunst, bevindt. Als die twee extremen zijn op een continuüm – een schaal van geen oordeel – dan neemt iedereen die artistiek bezig is automatisch een positie erop in. Doorheen je carrière moet je namelijk voortdurend bepalen waarom je muziek maakt: om mensen te plezieren en platen te verkopen? Of om je eigen ziel binnenstebuiten te keren en je niets aan te trekken van wat anderen denken? Die ‘geen oordeel’ slaat op het feit dat geen enekele keuze gemakkelijk is. Vaak wordt er neergekeken op mensen die resoluut voor de markt gaan, terwijl dat even veel doorzettingsvermogen vraagt als die artiest die op zoek is naar zichzelf.

Eens je bepaald hebt waar je positie op de schaal van geen oordeel ligt, is er natuurlijk nog iets van belang: talent. Als ook dat in voldoende mate aanwezig is en de nummers geschreven raken, begint het werk pas echt. Dan is zakelijk inzicht vaak noodzakelijk. Je moet kunnen inschatten wat vereist is om jouw muzikantenbestaan rendabel te maken. Zelfs al wil dat zeggen dat je overdag in de supermarkt moet werken om maar geen toegevingen op je muziek te moeten doen. Voor die stap beschikt de muzikant over heel wat theoretische businessmodellen en marketingplannen, de ene succesvoller dan de andere. Vastesaeger kaartte er tijdens zijn lezing enkele kort aan, zoals de 4 P’s, prijselasticiteit, de unique selling proposition, B2C, B2B, enzovoort. Hij wees er echter meteen op dat dergelijke theoretische modellen wel leuk en interessant zijn, maar dat praktisch inzicht altijd belangrijker is: kennis moet je kunnen toepassen, omzetten naar de praktijk. En dat vraagt een goede planning, veel oefening, doorzettingsvermogen en op den duur ook ervaring. Het mag geen verrassing zijn dat de lezing werd afgesloten met een warme oproep naar de schoolinstellingen toe om zakelijk inzicht en juridische kennis te integreren in de muzikantenopleidingen.

Om tot dat eindpunt te komen, raadt Vastesaeger aan dat er structurele veranderingen moeten komen. Hij sluit zich daarmee grotendeels aan bij wat Kathleen Vogelaers zegt. Een eerste stap in de juiste richting moet van de docenten komen. Eens zij inzien waarom hun studenten momenteel zo kwetsbaar zijn als ze afstuderen, kunnen ze het probleem aankaarten, zowel naar boven (de opleidingshoofden en het beleid) als naar onderen (hun studenten) toe. De kwestie is momenteel wel degelijk belangrijk: zo goed als iedere muzikant die momenteel afstudeert en geen leerkracht wordt, komt al snel in contact met financiële en juridische regelingen (het zelfstandigenstatuut, contracten voor optredens, platencontracten, auteursrecht, enz.). En zoals het er nu aan toe gaat, zullen de meesten niet voldoende voorbereid zijn. Het is dringend tijd dat de hogescholen de kloof met de zakelijke realiteit beginnen te dichten. Hopelijk was deze themanamiddag een mooi startpunt.

De presentatie van Carlo Vuijlsteke kan je hier raadplegen, en die van Kathleen Vogelaers hier.