Muziek en homoseksualiteit

Ich bin wie gay: Een analyse van de Homo Top 100 en kwalitatieve diepte-interviews met holebi’s

Onderwijsinstelling: KULeuven
Studierichting:  Communicatiewetenschappen
Promotor: Prof. Dr. Gust De Meyer
Student: Katrien Valgaeren

Omschrijving

Mijn thesis behandelt een thema dat totnogtoe slechts in zeer geringe mate aandacht kreeg in wetenschappelijk onderzoek, namelijk muziek en homoseksualiteit. Geen alledaags onderwerp om je meesterproef rond te schrijven. En weinig literatuur om op te kunnen steunen. Bovendien is het niet vanzelfsprekend om een ogenschijnlijk intuïtief en populair onderwerp wetenschappelijk te onderbouwen.

Toch wou ik de uitdaging aangaan omdat ik persoonlijk heel wat homo’s in mijn vriendenkring tel en hun wereld en feestjes me telkens weer positief verbazen. Daarenboven was ik zelf enorm nieuwsgierig naar de verklaringen achter de roze luchtkastelen die het homohabitat kent. Met deze eindverhandeling krijg ik de kans om aan die curiositeit tegemoet te komen en de kers op mijn studietaart op een ludieke, maar wetenschappelijke manier in te vullen.  De invalshoek die hiertoe gebruikt wordt, is de Homo Top 100. Als niche in wetenschappelijk onderzoek en inherent deel van onze popcultuur, is deze hitlijst het absoluut waard om eens deftig onder de loep genomen te worden.

Het onderzoek zelf kent drie luiken: een literatuuronderzoek, een analyse van de Homo Top 100 en kwalitatieve diepte-interviews met holebi’s. Uit de conclusie komen een berg inzichten naar boven omtrent ‘roze muziek': De Homo Top 100 een aantal inherente holebi-kenmerken bevat. De hitlijst barst van de kapot gedraaide clichés, die meestal niet volledig uit de lucht gegrepen zijn. Daarnaast herbergt de Top 100, en trouwens holebi-muziek in het algemeen, eveneens verschillende aspecten die een niet te missen symbolische betekenis hebben voor de holebi-gemeenschap.

Uit de Top 100-analyse blijkt dat de hitlijst de voorbije vijf jaar is geëvolueerd naar een divers aanbod van nummers met een harde kern van precies 30 songs die de Top al vijf jaar bereikt hebben. De artiesten uit die kern zijn vooral de sterke/tragische vrouwen, holebi artiesten en ‘camp’-groepen. Bovendien zijn alle 30 platen enorm dansbaar. Dat zijn dan ook meteen de sleutelwoorden voor ‘roze muziek’ in het algemeen: camp met een vleugje Eurosong, dramatiek en sterke vrouwen, holebi-artiesten, maar vooral en bovenal dansbaarheid.

De verklaringen voor de muziek en haar centrale concepten werden gevonden aan de hand van de diepte-interviews. De holebicultuur kent enkele universele en transnationale symbolen, maar daarnaast en sterker nog, is de gemeenschap opgedeeld in zeer veel en enorm diverse kleine subculturen, die zeker niet noodzakelijk afwijken van heterosubculturen. Qua muziek worden, door de subculturen heen, eveneens bijzonder uiteenlopende genres geprefereerd. Het is in geen geval zo dat holebi’s enkel naar Gloria Gaynor luisteren. Het is gewoon de betekenis die erachter zit die van de disco queen een regelrecht homo-icoon gemaakt heeft. Holebi?s hebben een soort gedeelde ervaring door het proces van uit de kast te komen en de aanvaarding van die andere geaardheid door henzelf en door hun omgeving. Die gedeelde ervaring schept een zekere band op momenten dat men in de vrije tijd met elkaar in contact komt, zoals op holebi-aangelegenheden. Het is dan dat er sprake kan zijn van een occasionele holebisubcultuur. Ook dan worden de universele holebisymbolen, zoals ‘roze muziek’, gebruikt om het samenhorigheidsgevoel te benadrukken.

De reden waarom precies die muziek gebruikt wordt, hangt nauw samen met dat gevoel van onderdrukking die de meesten in min of meerdere mate ervaren hebben, en die via ‘roze muziek’ gecompenseerd wordt. Ten eerste en als allerbelangrijkste is het loeiharde dans- en feestmuziek; ritmes die je voeten in vervoering brengen en teksten die smeken om meegebruld te worden. Dat creëert een soort vrijheid die in fel contrast staat tegenover de
periode van opkropping die aan hun outing vooraf gaat. Holebifeestjes zijn voor hen dé gelegenheden bij uitstek om zich ongegeneerd ‘te smijten’ en op te gaan in de muziek, zonder je zorgen te maken over ongewenste blikken of opmerkingen. In die zin kan ook gesproken worden van de escapistische functie van muziek.

Identificatie is een volgend scharnierpunt in de Homo Top 100. Artiesten die aangeven een zelfde periode van onderdrukking achter de rug te hebben, tijdens een relatie of meer algemeen in onze samenleving, kunnen vaak rekenen op de sympathie van holebi’s. Daar heerst een soort van wederzijds respect. Dat verklaart de grote aanwezigheid van tragische/sterke vrouwen in de hitlijst. Al speelt compensatie hier eveneens een rol. Sommige homo’s nemen al eens de dramatische gebaren en bombastische emotionaliteit van die vrouwen over om ergens aan een behoefte tegemoet te komen. OF gewoon om zich extra te amuseren op de leuke muziek.
Identificatie is uiteraard ook een belangrijke reden voor de aanwezigheid van de 29 holebi-artiesten in de Top 100. Sommigen functioneren daarenboven als rolmodel. Met presentatrice/zangeres Yasmine op kop voor zowel homo’s als lesbiënnes. Dat heeft ze te danken aan haar zelfrelativeringsvermogen. Bij veel holebi’s leeft immers het verlangen naar een maatschappij waar holebi zijn geen issue meer is, en waar ze serieus genomen worden.

De gevoeligheid voor ‘camp’ heeft eveneens te maken met zelfrelativering. Sommige homo’s houden ervan, desalniettemin kunnen ze vooral heel erg lachen om kitsch en glitter. Het theatrale, het extravagante en de vrouwelijke kant zijn dan weer opnieuw terug te brengen tot de nood aan compensatie. Bovendien zijn deze opvallende uitingen manieren om je te kunnen onderscheiden.
En dat brengt me bij het laatste concept van de resultaten.  Holebi’s hebben net zoals iedereen soms de behoefte om zich te onderscheiden. Om te laten zien wie ze zijn en dat ze bestaan.
Daaraan komen regelmatig de holebi-symbolen aan te pas, die eveneens als stereotypen functioneren. Holebi’s gebruiken ze om te vechten voor het recht om anders te zijn en integratie, niet assimilatie, in de samenleving te bewerkstelligen. Dat is ook waarom de Homo Top 100 een stokpaardje voor de gay community kan zijn. De stereotypen hoeven immers niet noodzakelijk negatief te zijn. Ze tonen op een zelfrelativerende wijze aan waar de holebigemeenschap voor staat en via de Homo Top 100-fuif kan ze die integratieve functie vervullen als zijnde ‘het ultieme verbroederingsfeestje voor hetero’s en holebi’s’.

Want zoals Ron Galella -fotograaf in Studio 54- destijds al bont stelde: ‘The disco era is over, but today as always, dancing will live forever.’ En dat geldt voor iedereen.

Katrien Valgaeren

  Ich bin wie gay: Een analyse van de Homo Top 100 en kwalitatieve diepte-interviews met holebi’s