Basic muziektheorie

Wat je zeker moet weten over noten, toonladders en toonaarden

Soms vind je dankzij een klein beetje theorie de sleutel om jouw track net dat tikkeltje interessanter te maken. We vroegen aan ervaren rotten in het vak David Poltrock en Jan Hautekiet om de absolute basis van toonladders, toonaarden en akkoorden uit te leggen. En passant hebben ze het ook nog over transponeren en omkeringen van akkoorden. Allemaal Chinees voor jou? Geen nood: David & Jan leggen alles heel verstaanbaar uit. En zoals met zoveel dingen in het leven is het motto ook hier: oefening baart kunst!

Toonladders & toonaarden

Toonladders & toonaarden

Toonaard en afstanden

Toonaard en afstanden

Toonaarden en transponeren

Toonaarden en transponeren

  • Het absolute begin: elke noot heeft een naam. In het klassieke (Italiaanse) systeem noemen we de noten do, re, mi, fa, sol, la en si. Tegenwoordig wordt de Engelse benaming bijna overal gebruikt: C (do), D (re), E (mi), F (fa), G (sol), A (la), B (si).
  • Tussen elke noot zit een bepaald afstand (toon). Vertrekkend vanaf de C, zijn die tonen als volgt verdeeld:
    • C-D: 1 toon
    • D-E: 1 toon
    • E-F: ½ toon
    • F-G: 1 toon
    • G-A: 1 toon
    • A-B: 1 toon
    • B-C: 1/2 toon
  • Op een pianoklavier zit er tussen elke toets (zwart of wit) een halve toon. De zwarte toetsen noemen we ‘kruis’ (# of sharp) of ‘mol’ (♭ of flat). Bv. C# (of C sharp) is een halve toon hoger dan C, A♭ (of A flat) is een halve toon lager dan A etc.
  • Met die afstanden in het achterhoofd kan je toonladders De toonladder van C (de grondnoot) is C-D-E-F-G-A-B-C. Die van D is D-E-F-G-A-B-C-D, etc. Een ‘gewone’ grote-tertstoonladder bestaat uit een vast recept, een opeenvolging van hele en halve tonen: 2 hele tonen, 1 halve toon, 3 hele tonen, 1 halve toon. Veel oefenen tot je alle toonladders in de vingers hebt (op welk instrument dan ook), is de boodschap, want van daaruit vertrekt zowat alles.
  • Een toonaard is de verzameling (de context) waarbinnen een melodie gespeeld kan worden. Die verzameling bestaat dan uit alle noten van een bepaalde toonladder. Een melodie in de toonaard van C kan dus gespeeld worden met alle noten die tot de toonladder met als grondtoon C behoren.
  • Met noten uit een toonladder kan je dus een melodie in een bepaalde toonaard spelen. Nu je ook de afstanden tussen noten uit een bepaalde toonladder kent, betekent dat ook dat je een melodie perfect in een andere toonaard kunt spelen. De melodie van een nummer als ‘Let It Be’ kan je spelen in de toonaard C, maar ook in de toonaard A♭. Dat noemen we transponeren.
Drieklanken in een toonaard

Drieklanken in een toonaard

Majeur/mineur/diminished

Majeur/mineur/diminished

  • Op elke noot kan je een drieklank spelen: een akkoord dat bestaat uit 3 noten. Die 3 noten liggen op een vaste afstand van elkaar. In de toonaard C zijn die drieklanken bijvoorbeeld:
    • C-E-G
    • D-F-A
    • E-G-B
    • F-A-C
    • G-B-D
    • A-C-E
    • B-D-F
  • De aard of het gevoel van die drieklanken is verschillend, en dat komt door de afstand die tussen elke noot van de drieklank zit. De drieklank C-E-G noemen we ‘groot’ of ‘majeur’, omdat die bestaat uit een opeenvolging van 2 hele tonen (C-E) en anderhalve toon (E-G). We spreken ook wel van een opeenvolging van een grote terts en een kleine terts. De drieklank D-F-A noemen we ‘klein’ of ‘mineur’ en bestaat uit de opeenvolging van anderhalve toon (kleine terts, D-F) en 2 hele tonen (grote terts, F-A). Het is dus de eerste terts die bepaalt of de drieklank majeur (begint met grote terts) of mineur (begint met kleine terts) is. Dat betekent ook dat je van een majeur-akkoord een mineur-akkoord kunt maken, en omgekeerd.
  • De volgorde van drieklanken in een bepaalde toonaard ligt vast: majeur – mineur – mineur – majeur – majeur – mineur – verminderd (een uitzondering, zijnde 2 kleine tertsen of 2x anderhalve toon boven elkaar) – majeur. Met deze kennis in het achterhoofd kan je dus alle drieklanken vormen binnen een bepaalde toonaard. Voor bv. de toonaard A (die bestaat uit de toonladder A-B-C#-D-E-F#-G#-A) is de opeenvolging van drieklanken als volgt:
    • A-C#-E (majeur)
    • B-D-F# (mineur)
    • C#-E-G# (mineur)
    • D-F#-A (majeur)
    • E-G#-B (majeur)
    • F#-A-C# (mineur)
    • G#-B-D (verminderd)
    • A-C#-E (majeur)
Akkoorden & omkeringen

Akkoorden & omkeringen

  • Van elk akkoord bestaan 3 variaties of zgn. ‘omkeringen’ (ook wel ‘voicings’ genoemd): grondligging, eerste omkering en tweede omkering. Elke voicing heeft een eigen klankkleur, en je kiest ook een bepaalde voicing in functie van het speelgemak. Een C-akkoord kan je spelen als C-E-G (grondligging), maar ook als E-G-C (eerste omkering) of G-C-E (tweede omkering).

Nu iedereen mee is met de theorie, wordt het tijd voor de harde praktijk. David en Jan kozen voor ons enkele nummers die ze ontleden aan de hand van de theorie die we hierboven besproken hebben. Je zal zien dat de meeste nummers (harmonisch althans) niet zo ingewikkeld in elkaar zitten en vaak maar uit een handvol akkoorden bestaan. Dat is meteen ook een argument om het niet te ver te zoeken. Met een paar akkoorden kom je al een heel eind!

Inleiding

Inleiding

Herhaling theorie

Herhaling theorie

Lapsley - Hurt Me

Lapsley - Hurt Me

Tout Va Bien - Goodbye

Tout Va Bien - Goodbye

James Vincent McMorrow - Rising Water

James Vincent McMorrow - Rising Water

Pachelbel - Canon in D Major

Pachelbel - Canon in D Major

De akkoordenschema’s van bovenstaande voorbeelden kan je hier downloaden:

Heb je vragen of opmerkingen bij deze pagina?
Popadvies op maat
Vind je hier toch niet het antwoord op jouw vraag? Poppunt geeft ook persoonlijk advies.
   popadvies@poppunt.be       Bel 02 504 99 00       Maak een afspraak